Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06-3551 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene met ingang van de datum in geding niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3551 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2006, 06/667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.A. Smits, advocaat te Huizen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf. Ter zitting is dr. J.C. Grutters, longarts bij het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein, als door appellant opgeroepen deskundige gehoord.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was 20 uur per week werkzaam als onderwijsmedewerker bij een kerkelijke gemeente, toen hij op 11 oktober 2004 wegens een dubbele longontsteking arbeidsongeschikt werd. Bij appellant is destijds tevens sarcoïdose vastgesteld. Zijn dienstverband is per 1 februari 2005 beëindigd.

Bij besluit van 31 oktober 2005 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van

4 november 2005 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij met ingang van die datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Bij besluit van 20 december 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder acht geslagen op de rapportage van de verzekeringsarts van

28 oktober 2005 en van de bezwaarverzekeringsarts van 30 november 2005.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Appellant is terzake van het onderhavige ziektegeval verschillende keren op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts. Uit de aantekeningen op de Medische Kaart blijkt dat de verzekeringsarts uitgebreid aandacht heeft besteed aan de klachten van appellant en de inhoud van diens werk als onderwijsmedewerker. Naar aanleiding van de bevindingen op het spreekuur van 22 september 2005 heeft de verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de behandelend longarts. Daaruit bleek dat gezien het röntgenbeeld en de revisie van de perifere longbiopten bij appellant inderdaad sprake was van sarcoïdose, maar dat het naar alle waarschijnlijkheid een oude sarcoïdose was. Mede gelet op deze gegevens heeft de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van

28 oktober 2005, waar is vastgesteld dat appellant het gebruik van prednison aan het afbouwen was, met ingang van 4 november 2005 hersteld verklaard voor zijn werk.

De bezwaarverzekeringsarts J.M. Brouwer achtte na onderzoek van appellant en na kennis te hebben genomen van voormelde informatie van de behandelend longarts, de medische grondslag van het primaire besluit juist. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierbij in aanmerking genomen dat volgens die informatie sprake was van een oude niet actieve sarcoïdose, die niet of nauwelijks verantwoordelijk was te stellen voor de door appellant gepresenteerde klacht, dat een aanmerkelijke visusstoornis bij appellant, die voor het laatst in 2001 bij een oogarts was geweest, niet aannemelijk was te achten en dat ook niet aannemelijk was dat het immuunsysteem van appellant betekenisvol was aangetast, nu het laatste jaar geen bloedonderzoek was verricht waaruit iets dergelijks kon blijken.

Naar het oordeel van de Raad geven de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts opgestelde rapportages, mede in aanmerking genomen dat daarbij de van de behandelend sector afkomstige gegevens zijn betrokken, blijk van een zorgvuldig onderzoek.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat appellant ondanks zijn klachten in staat moest worden geacht zijn werk als onderwijsmedewerker te verrichten, onjuist te achten. De Raad verwijst in dit verband naar een door voornoemde bezwaarverzekeringsarts op

6 september 2006 uitgebracht rapport, waarin nogmaals is opgemerkt dat blijkens de brief van de behandelend longarts van 15 maart 2006 de sarcoïdose in 2005 niet actief was en dat de longvolumina normaal waren in combinatie met een lage bezinking. Zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt, is eerst bij het onderzoek door deze longarts in maart 2006 weer activiteit van de sarcoïdose vastgesteld. Met betrekking tot de verder bij het beroepschrift overgelegde medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat deze geen betrekking hebben op de datum in geding en, voorzover dit wel het geval is, geen nieuwe informatie bevatten.

De in hoger beroep nog overgelegde brieven van 13 juli, 17 september en

12 november 2007 van dr. J.C. Grutters voornoemd hebben betrekking op onderzoeksbevindingen en een behandeling in het St. Antonius Ziekenhuis in de loop van 2007 en bevatten evenmin gegevens die relevant zijn voor de hier in geding zijnde datum. Dat volgens deze specialist thans met meer geavanceerde onderzoeksmethodes verfijndere diagnostiek mogelijk is ter verklaring van de klachten van appellant impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat de (bezwaar)verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding verkeerd heeft beoordeeld. In de door deze specialist ter zitting van de Raad als deskundige afgelegde verklaring heeft de Raad dan ook geen reden gezien voor een ander oordeel.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Raad tenslotte nog op dat een beoordeling van een aanspraak van appellant op ziekengeld per 1 december 2005 de omvang van dit geding te buiten gaat.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL