Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06-6513 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting uitwonendenbeurs naar thuiswonendenbeurs vanwege discrepantie tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6513 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 oktober 2006, kenmerk 06/709 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee. Betrokkene is verschenen, vergezeld door haar stiefvader en bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.A. de Boer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

Bij brieven van 12 november 2005, verzonden naar het adres [adres 1] te Nuenen en naar het adres [adres 2] te Breda, heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat bij controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres 2] te Breda) in de maand oktober 2005 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 1] te Nuenen). Betrokkene is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm van een uitwonende studerende met ingang van oktober 2005 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Betrokkene heeft niet binnen vier weken gereageerd. Vervolgens heeft appellante bij besluiten van 13 januari 2006 (Bericht Studiefinanciering 2005, nr. 9 en Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 4) de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van oktober 2005 omgezet in een beurs naar de norm van een thuiswonende studerende.

Tegen deze besluiten heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij per 1 oktober 2005 is verhuisd van het adres [adres 2] te Breda naar het adres [adres 3] te Breda, dat zij vanaf 6 oktober 2005 op dat adres staat ingeschreven in de GBA en dat zij haar nieuwe adres schriftelijk aan de IB-Groep heeft doorgegeven. Zij heeft er voorts op gewezen dat zij op 3 november 2005 van de IB-Groep een brief op haar juiste adres heeft ontvangen, waaruit blijkt dat haar juiste adres wel bij de IB-Groep bekend was, terwijl vervolgens de waarschuwingsbrieven van 12 november 2005 toch naar een oud woonadres en naar een oud GBA-adres zijn gestuurd.

Appellante heeft het bezwaar bij besluit van 8 maart 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat betrokkene de discrepantie tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres niet binnen vier weken heeft opgeheven. Naar aanleiding van de door betrokkene in haar bezwaarschrift genoemde brief van 3 november 2005, waarbij het wachtwoord en de wijzigingscode voor 'Mijn IB-Groep' aan haar bekend zijn gemaakt, heeft appellante overwogen dat het voor betrokkenes rekening en risico komt dat zij uit die brief heeft afgeleid dat een door haar aan de IB-Groep doorgegeven woonadres-wijziging is ontvangen en verwerkt, nu in de bevestigingsmail met betrekking tot de aanmelding voor 'Mijn IB-Groep' expliciet was vermeld dat de brief met het wachtwoord en de wijzigingscode wordt gezonden naar het adres waarop betrokkene bij de gemeente staat ingeschreven.

De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene, nu zij de brieven van 12 november 2005, die naar een oud woonadres en naar een oud GBA-adres zijn gezonden, door toedoen van appellante kennelijk niet heeft ontvangen, niet in de gelegenheid is geweest de afwijking tussen de adressen, genoemd in de brieven van 12 november 2005, te herstellen. Op die grond en onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard. Aan de vraag of betrokkene op 8 oktober 2005 haar laatste adreswijziging aan de balie van het regiokantoor van de IB-Groep heeft doorgegeven of dat zij dit pas na oktober 2005 heeft gedaan, is de rechtbank, gezien het vorenstaande, niet meer toegekomen.

Appellante heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene de brieven van 12 november 2005 door toedoen van de

IB-Groep kennelijk niet heeft ontvangen. Uit het bezwaarschrift blijkt immers dat betrokkene een van die brieven in handen heeft gekregen, zodat zij wel degelijk in de gelegenheid is geweest om de afwijking tussen het opgegeven woonadres en het GBA-adres te herstellen.

Deze grief treft doel. Uit het bezwaarschrift en de daarbij meegezonden bijlagen blijkt inderdaad dat betrokkene de aan haar oude GBA-adres (het adres van haar ouders) gezonden brief heeft ontvangen.

Er is geen enkel bewijs dat betrokkene op 8 oktober 2005 aan de balie van een regiokantoor is geweest om haar nieuwe woonadres door te geven. Uit de brief van

3 november 2005 kan niet worden afgeleid dat zij aan de balie of op andere wijze een wijziging van haar woonadres heeft opgegeven. De brief met het wachtwoord voor 'Mijn IB-Groep' wordt immers uit veiligheidsoverwegingen niet naar het bij de IB-Groep geregistreerde woonadres, maar naar het actuele GBA-adres verzonden.

Zoals de Raad al vaker heeft overwogen onder meer in zijn uitspraak van 7 april 2006, LJN: AW2510 ontslaat de omstandigheid dat appellante over adresgegevens uit de GBA beschikt studerenden niet van de op hen ingevolge de Wsf 2000 rustende verplichting om eigenstandig en bijtijds wijzigingen in hun woonadres aan de IB-Groep door te geven. Betrokkene had kunnen en moeten reageren op de brief van 12 november 2005.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het door betrokkene bij de rechtbank ingestelde beroep moet alsnog ongegrond worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Lochs.

MH