Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
05-6513 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor het maatgevende werk. Besluit wordt niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6513 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van

28 september 2005, 05/1145 en 05/2707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.M. de Groot.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 3 augustus 2007 nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 2 september 2007 is namens appellante hierop een reactie gegeven, gevolgd door een reactie van het Uwv bij brief van 11 september 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Groot. Tevens was aanwezig de tolk [naam tolk].

II. OVERWEGINGEN

Appellante was van 10 december 2001 tot 28 november 2004 werkzaam als bakkerijmedewerkster bij een supermarkt. Op 20 oktober 2004 heeft zij zich ziek gemeld met rechterschouderklachten en rechterknieklachten. Op 21 december 2004 is zij onderzocht door een verzekeringsarts die haar per 22 december 2004 hersteld verklaarde. Bij besluit van 21 december 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per

22 december 2004 geen recht meer heeft op ziekengeld. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff heeft blijkens zijn rapportage van

24 juni 2005 na dossieronderzoek voor appellante beperkingen aangenomen voor arbeid waarbij de rechterschouder wordt belast. Vervolgens heeft hij op basis van door een arbeidsdeskundige verstrekte informatie geoordeeld dat het werk van appellante niet schouderbelastend was. Bij besluit van 28 juni 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij als gevolg van de objectiveerbare beperkingen aan de rechterschouder rechts niet boven schouderhoogte kon en kan werken. Als gevolg van de beperking aan de rechterschouder kon zij de kratten met brood en de bakplaten op 1.50 m hoogte niet pakken, want zij is maar 1.60 m lang. Zij moest de kratten met twee handen pakken, waarbij haar rechterarm boven schouderhoogte kwam. Appellante is na een operatie aan haar rechterschouder nog altijd niet klachtenvrij en een tweede ingreep blijkt noodzakelijk.

De Raad stelt vast dat niet in geding is dat appellante op 22 december 2004 objectiveerbare beperkingen aan haar rechterschouder had, waardoor het voor haar niet mogelijk was rechts boven schouderhoogte te werken en waardoor zij rechts ook beperkt was voor reiken.

Bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards heeft blijkens zijn in eerste aanleg ingezonden rapportage van 20 september 2005 de werkplek van appellante bezocht en gesproken met de bedrijfsleider, de assistent bedrijfsleider en twee medewerkers die hetzelfde werk deden als appellante. Uit deze rapportage en de nadere rapportage van Wijngaards van 1 augustus 2007 blijkt, voor zover in dit geding van belang, dat het brood dagelijks werd aangevoerd in broodkarren van ongeveer 12 tot 15 lagen. Het brood was deels afgebakken, deels voorgebakken. Het afgebakken brood diende te worden geplaatst op stellingen, waarvan de hoogste schap op 1.50 m was bevestigd. Het te bakken brood werd op platen gelegd op een open ovenkar met 6 tot 8 platen boven elkaar. De ovenkar ging de oven in. Het afgebakken brood werd met de kar uit de oven gehaald.

Van Wijngaarden concludeerde dat alleen bij het afpakken van brood uit de twee hoogste kratten werken boven schouderhoogte aan de orde was, maar dit kon volgens hem ook met één hand omdat het brood reeds was verpakt en de bovenste kratten gekanteld konden worden waardoor niet achterin de kratten gepakt hoefde te worden. Bovenhands werken kwam alleen voor bij het pakken van producten van de bovenste bakplaten en dan ook maar hoogstens 2 tot 3 keer per uur. Het pakken van de bovenste plaat uit de oven werd gedaan met de linkerhand, waarbij de plaat werd ondersteund met de rechterhand. Daarbij zou de rechterhand/-arm niet boven schouderhoogte komen. Bovendien kon waar nodig hulp worden gevraagd van twee andere medewerkers op de broodafdeling.

Hij achtte het werk zonder meer geschikt voor appellante.

De Raad kan deze conclusie niet volgen. In het kader van de ZW kan een betrokkene pas hersteld worden verklaard als hij/zij alle onderdelen van het maatgevende werk (weer) kan verrichten. Voor de Raad is onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante op de datum in geding in staat was de broodkratten en bakplaten te hanteren voor zover hierbij boven schouderhoogte moest worden gewerkt.

Uit het eerste rapport van Van Wijngaarden blijkt dat een broodkar 12 tot 15 lagen had. Uitgaande van een brood c.q. krathoogte van ongeveer 15 cm waren de karren inclusief de wielen toch zeker 2.00 tot 2.50 m hoog. Anders dan Van Wijngaarden stelt acht de Raad aannemelijk dat appellante wel kratten moest tillen.

Appellante heeft ter zitting van de Raad uiteengezet dat de broodkarren waarin het brood ’s morgens vroeg om zes uur in kratten werd aangevoerd, zodanig hoog waren gevuld dat een paar kratten boven de wanden van de kar uitkwamen. De kar kon daardoor niet door de toegangsdeur. De bovenste kratten moesten daarom eerst worden verwijderd. Appellante deed dit zelf, staande op een frisdrankkrat. Collega’s weigerden haar daarbij te helpen. Voorts heeft appellante ter zitting gedemonstreerd hoe lastig het is een bakplaat met de linkerhand, ondersteund met de rechterhand, uit de oven te halen zonder daarbij boven schouderhoogte te komen. Nu appellante met haar rechterarm niet boven schouderhoogte kon werken, begrijpt zij voorts niet dat zij dat twee tot drie keer per uur wel zou kunnen.

De Raad is van oordeel dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de beperkingen aan haar rechterschouder de genoemde onderdelen van haar werk niet (volledig) kon verrichten. De resultaten van het nader onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige hebben de Raad niet kunnen overtuigen van het tegendeel.

De Raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de situatie op de broodafdeling bij de betreffende supermarkt ten tijde van het nader arbeidskundig onderzoek in 2007 anders was dan bij de uitval van appellante in 2004, omdat de winkel door een andere supermarktketen was overgenomen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit besluit is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten dienen te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.449,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op

9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL