Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
05-6409 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6409 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 september 2005, 05/589 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 30 juli 2007 een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellant heeft mr. E.R. Jonkman, verbonden aan FNV Bouw, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft hierop bij brief van 15 oktober 2007 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 16 november 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Terwijl appellant een uitkering ontving uit hoofde van de Werkloosheidswet (WW) heeft hij zich op 17 juni 2002 arbeidsongeschikt gemeld met klachten als gevolg van insuline afhankelijke diabetes. Aansluitend aan de voor hem geldende wachttijd heeft het Uwv hem per 16 juni 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 18 januari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 8 juni 2004, waarbij de WAO-uitkering van appellant in het kader van een zogenoemde eerstejaars herbeoordeling per 9 augustus 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. De rechtbank kan zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit, maar meent dat het besluit pas in de beroepsfase van een voldoende inzichtelijke motivering is voorzien.

De gronden in hoger beroep richten zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen in stand te laten. Appellant meent dat het Uwv zijn beperkingen op een aantal punten te licht heeft ingeschat, en is van mening dat de belasting van een aantal van de voor hem geselecteerde functies te zwaar is, zodat deze niet door hem kunnen worden uitgeoefend.

De Raad oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad voegt daar nog aan toe, dat de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling via de in hoger beroep ingezonden rapportage d.d. 12 oktober 2007, voldoende overtuigend nader heeft toegelicht dat appellant in 2004 voor de aspecten “duwen of trekken” en “tillen of dragen” in mindere mate beperkt was dan in 2003. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat.

Met zijn beperkingen was appellant naar het oordeel van het Uwv nog in staat om de functies van inpakker (SBC code 111190), houtwarensamensteller (262140) en medewerker tuinbouw (111010) uit te oefenen. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de belasting van deze functies voor hem op een aantal onderdelen te zwaar is. Op deze bezwaren is door de bezwaararbeidsdeskundige C.W.M. Limbeek uitvoerig gereageerd in zijn rapportages van 16 augustus 2005, 10 januari 2006,

27 juli 2007 en 11 oktober 2007. Ervan uitgaande dat de beperkingen appellant, zoals voren overwogen, op juiste wijze zijn vastgelegd in de voor hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 mei 2004, is de Raad van oordeel dat door genoemde bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van alle aangevoerde aspecten op voldoende overtuigende wijze is gemotiveerd dat de belasting van de drie genoemd functies voor appellant niet te zwaar is. Weliswaar is door appellant aangevoerd dat hij minder ervaring heeft met het omgaan met gereedschappen dan door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 11 oktober 2007 is gesuggereerd, maar dit betekent dat niet dat de functie van houtwarensamensteller voor hem niet geschikt is, nu de belasting van die functie zijn belastbaarheid niet overschrijdt. Niet is gebleken van een zodanig bijzonder belastend effect van het omgaan met het gereedschap, dat twijfel rijst of dat voor appellant niet te zwaar is.

Gelet op de loonwaarde van de drie genoemde functies, desgevraagd nog nader toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 27 juli 2007, bedraagt het verlies aan verdiencapaciteit van appellant ongeveer 34%, zodat zijn mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO bij het bestreden besluit terecht is bepaald op 25 tot 35%.

Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

MR