Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
05-5883 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde belastbaarheid. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5883 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle/Lelystad van 19 augustus 2005, 04/1536 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is aangevuld bij schrijven van

2 december 2005, vergezeld van een rapport van 14 november 2005 van W.M. Koek, bezwaarverzekeringsarts.

Namens betrokkene heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 28 april 2006 heeft voormelde gemachtigde een besluit van appellant van 26 april 2006 ingezonden.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft appellant, op verzoek van de Raad, stukken in het geding gebracht die betrekking hebben op voormeld besluit.

De Raad heeft prof. dr. J.H. Kleibeuker, maag-, darm- en leverarts, verbonden aan het UMC Groningen, verzocht van verslag en advies te dienen.

Voormelde deskundige heeft op 5 september 2007 rapport uitgebracht.

Appellant heeft daarop op 8 november 2007 gereageerd door middel van inzending van een rapport van dezelfde datum van W.M. Koek voornoemd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene en bovengenoemde gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Betrokkene lijdt al jaren aan de ziekte van Crohn (tevens is sprake van depressieve klachten). Hij ontvangt eveneens sedert jaren een uitkering ingevolge de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft appellant, na medisch en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 7 oktober 2003 bepaald, dat de WAO-uitkering van betrokkene per 9 april 2004 wordt ingetrokken, omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%. Het daartegen namens betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van

30 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. Appellant heeft daarbij overwogen dat, omdat een onjuiste maatman in aanmerking was genomen, een herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid moet leiden tot een percentage van 35 tot 45; de medische (en arbeidskundige) grondslag van het primaire besluit is daarbij gehandhaafd. Aan laatstbedoeld oordeel ligt onder andere het rapport van 31 januari 2004 van W. Koek voornoemd ten grondslag. Bij het hiervoor genoemde besluit van

26 april 2006 is per 17 juli 2005 de WAO-uitkering van betrokkene herzien en berekend naar een percentage van 80 tot 100.

Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij deze onder andere heeft gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan door appellant is aangenomen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met bepalingen omtrent het betalen van griffierecht en het vergoeden van proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank -kort weergegeven- overwogen, dat betrokkene sedert 1972 vrijwel onafgebroken een volledige WAO-uitkering ontvangt en dat uit de in het dossier aanwezige gegevens valt af te leiden dat spanning steeds een negatief effect heeft op de bij hem aanwezige ziekte van Crohn. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank het ziektebeeld van betrokkene in de afgelopen jaren onvoldoende in zijn besluitvorming betrokken en had alvorens te beslissen als is gedaan, een gedegen specialistisch onderzoek dienen in te stellen. De rechtbank heeft, nu een dergelijk onderzoek niet had plaatsgevonden, dan ook geoordeeld, dat het bestreden besluit niet op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Appellant heeft in hoger beroep met name betoogd dat wel degelijk voldoende gegevens voorhanden waren om tot een verantwoorde beslissing te komen en dat een verdergaand onderzoek -bijvoorbeeld een waarbij een operatie wordt uitgevoerd- te ingrijpend zou zijn.

De Raad heeft, als aangegeven, aan prof. Kleibeuker gevraagd om van verslag en advies te dienen. Deze heeft in voornoemd rapport onder meer geconcludeerd, dat de ziekte van Crohn bij betrokkene voortdurend actief is en dat deze activiteit, naar in het verleden is gebleken, bij te grote belasting toeneemt. Bijgevolg kan betrokkene de geselecteerde functies op zich wel uitoefenen, maar -ter vermijding van te grote belasting- niet gedurende hele dagen. Betrokkene is volgens deze deskundige niet in staat om de desbetreffende functies gedurende meer dan vier uur, en evenmin gedurende vier uur achtereen, uit te oefenen. De Raad ziet onvoldoende aanleiding om de deskundige niet in diens oordeel te volgen. De deskundige heeft voldoende beargumenteerd dat het juist de belasting van het gedurende hele dagen werken is die de bij betrokkene bestaande ziekte negatief beïnvloedt en dat diens conclusies ook gelding hebben op de datum in geding. Het op diens rapport geleverde commentaar van W. Koek voornoemd legt niet voldoende gewicht in de schaal. Nu appellant er in het bestreden besluit van uit is gegaan dat betrokkene de geselecteerde functies wel gedurende hele dagen kan uitoefenen, berust dit besluit, gelet op het door de Raad onderschreven oordeel van de deskundige, reeds daarom op een ondeugdelijke (medische) grondslag.

Het voorgaande betekent, dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, ten bedrage van

€ 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, te begroten op € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.

MK