Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
05/5524 WAO en 07/2509 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld en WAO-schatting. Geschiktheid eigen werk en geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5524 WAO en 07/2509 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 juli 2005, 05-593 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van 16 maart 2007, 06-6410 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Stegmeijer, werkzaam bij de CNV Dienstenbond, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Stegmeijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, werkzaam als fulltime administratief medewerker bij een bank, is op

26 november 1984 uitgevallen met psychische klachten. Na het voltooien van de wettelijke wachttijd is haar met ingang van 27 november 1985 onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is in verband met hervatting van appellante in een tijdelijke functie voor halve dagen bij de eigen werkgever vanaf 27 november 1985 uitbetaald, respectievelijk per 26 mei 1986 herzien, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Op 8 juni 2004 is appellante volledig uitgevallen wegens een toename van de psychische klachten. Op 6 september 2004 is zij gezien door een verzekeringsarts, die oordeelde dat er geen aanwijzingen waren om toegenomen arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

Dit oordeel is neergelegd in het besluit van 13 september 2004, waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt. Op 15 november 2004 is appellante onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts die in afwijking van het oordeel van de verzekeringsarts de medische beperkingen van appellante heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Daarvan uitgaande heeft de bezwaararbeidsdeskundige aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem een aantal functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen zou kunnen vervullen. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens de bezwaararbeidsdeskundige in een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,64%. Bij het besluit op bezwaar van 13 januari 2005, hierna: bestreden besluit 1, heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 juli 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Appellante heeft zich nadien op 12 augustus 2005 ziek gemeld en is naar aanleiding hiervan op 29 september 2005 door de verzekeringsarts gezien. Op basis hiervan en na dossieronderzoek heeft de verzekeringsarts appellante op 12 augustus 2005 niet toegenomen arbeidsongeschikt geacht. Het Uwv heeft dit standpunt neergelegd in het besluit van 23 november 2005 tot weigering van een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) op de grond dat appellante niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Na bezwaar is appellante op 23 mei 2006 door de bezwaarverzekeringsarts gezien, die op basis van de beschikbare medische gegevens, waaronder informatie van de psychiater J. den Bakker, oordeelde dat er per

12 augustus 2005 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Vervolgens heeft het Uwv bij het besluit op bezwaar van 22 juni 2006, hierna: bestreden besluit 2, het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daartoe, kort weergegeven, overwogen dat dit besluit op een correcte en voldoende zorgvuldig vastgestelde medische en arbeidskundige grondslag berust.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank met verwijzing naar de beschikbare medische gegevens geoordeeld dat het bestreden besluit 2 op een juiste en volledige grondslag berust.

Oordeel van de Raad in de zaak 05/5524 WAO

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit 1 in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent haar geestelijke gezondheidstoestand, in het bijzonder ook in de brief van de behandelend psychiater J. den Bakker van 21 juli 2005, is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 januari 2006 voldoende gemotiveerd weersproken en geeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante met de FML van 15 november 2004 is overschat.

Wat betreft de geschiktheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies merkt de Raad op dat daaraan in de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen van 6 mei 2005 en 20 januari 2006 expliciet en in voldoende mate aandacht is besteed.

Vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met het loon dat zij nog kan verdienen met de voor haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 72,64%, derhalve vallend in de arbeidsongeschiktheidklasse van 65 tot 80%.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

Oordeel van de Raad in de zaak 07/2509 ZW

Het gaat in dit geding om de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit 2 in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen duidelijke aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de gezondheidstoestand van appellante op

12 augustus 2005 ten opzichte van de situatie per 6 juli 2004 is verslechterd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante op het spreekuur van de verzekeringsarts

I. Özkan op 3 oktober 2005 zelf heeft aangegeven dat haar klachten in vergelijking tot het vorige medisch onderzoek niet wezenlijk anders waren. Dit vindt ook bevestiging in de opmerking van mr. Stegmeijer ter zitting van de Raad dat er (eerst) vanaf december 2005 sprake was van een verslechtering in de gezondheidstoestand van appellante.

De omstandigheid dat appellante ter zake van een latere ziekmelding per

16 februari 2006, derhalve ruim na de hier in geding zijnde datum 12 augustus 2005, als gevolg van een toename van psychische klachten wel in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de ZW staat hier, gelet op het tijdsverloop, los van.

Het vorenstaande leidt de Raad, evenals de rechtbank, tot de conclusie dat het bestreden besluit 2 op een juiste grondslag berust. De aangevallen uitspraak 2 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op

9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL