Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-896 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAZ-uitkering vanwege inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/896 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 december 2005, 05/1084 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant verricht als zelfstandige werkzaamheden voor een eigen accountants- en administratiekantoor. Vanaf 24 maart 2001 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het Uwv in verband met door appellant uit eigen bedrijf ontvangen inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 58 van de WAZ over het jaar 2003 een korting toegepast op de uitkering van appellant, aldus dat die uitkering is uitbetaald als ware appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 65 tot 80%.

Bij besluit van 2 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zijn bezwaren in beroep staande gehouden. Deze komen, kort aangegeven, op het volgende neer. De bij de korting betrokken inkomsten uit arbeid leiden volgens de berekeningen van het Uwv in vergelijking met het maatgevende inkomen tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,4%, derhalve net onder de 80%. De berekeningen van appellant zelf komen iets hoger uit, namelijk op 79,83%, maar dus eveneens beneden 80%. Appellant ervaart het als uiterst onbillijk dat, nu hij net iets teveel - een paar honderd euro - heeft verdiend om ingedeeld te blijven in de klasse 80 tot 100%, hij wordt geconfronteerd met een indeling in de klasse 65 tot 80% en een daaruit voortvloeiende terugvordering van ruim € 2.800, -. Appellant is van mening dat het Uwv ten onrechte niet is overgegaan tot afronding van de berekende mate van arbeidsongeschiktheid naar boven, zodat hij ingedeeld kan blijven in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft zijn bezwaren in hoger beroep staande gehouden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat, voor zover appellant in hoger beroep toch ook weer grieven naar voren heeft willen brengen tegen het besluit tot terugvordering, de Raad daarover geen oordeel kan geven, nu het bestreden besluit daarover - terecht - geen beslissing inhoudt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak reeds in gelijke zin overwogen.

Ook voor het overige sluit de Raad zich aan bij de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. De wet voorziet in een aantal scherp afgebakende arbeidsongeschiktheidsklassen en biedt geen ruimte voor de door appellant voorgestane afronding van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage. Voorts is niet kunnen blijken van een door het Uwv gevoerd afrondingsbeleid in deze zin. De innerlijke billijkheid van de wet staat niet ter beoordeling van de rechter.

Ter zitting van de Raad heeft appellant, in aanvulling op zijn hiervoor vermelde grieven, nog aangevoerd dat hij in een schrijven aan de belastingdienst van april 2005 naar voren heeft gebracht dat het over 2003 in aanmerking genomen fiscale inkomen nog zou behoren te worden verminderd met € 288, -. Appellant wijst erop dat hij in dat geval, gelet op de verlaging van zijn winstaandeel, ingedeeld zou blijven in de klasse 80 tot 100%. Onder referte aan hetgeen dienaangaande ter zitting is besproken, merkt de Raad op dat het Uwv bij zijn besluitvorming terecht is uitgegaan van de thans ter beschikking staande fiscale gegevens. Zou het vorenbedoelde schrijven van appellant aan de belastingdienst - alsnog - tot gevolg hebben dat zijn inkomen over 2003 wordt gecorrigeerd in de door hem bepleite zin, dan staat het appellant vrij zich daarmee tot het Uwv te wenden, teneinde te laten beoordelen of zulks van invloed is op de met betrekking tot dat jaar op zijn uitkering toegepaste korting.

De thans voorliggende gegevens laten, in het licht van het vorenoverwogene, geen andere conclusie toe dan dat de korting op appellants uitkering in rechte stand kan houden.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL