Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-6744 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht heeft op studiefinanciering. Is sprake van rechtens te honoreren verwachtingen? Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6744 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 oktober 2006, 06/452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij schrijven van 8 november 2007 heeft de Raad, in antwoord op het schrijven van appellants gemachtigde van 7 november 2007, bericht dat de Raad vooralsnog geen aanleiding ziet het verzoek om mevrouw Bogers van de IB-Groep op een alternatieve wijze te (doen) horen in te willigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Sneep. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.H. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft van 1 oktober 1996 tot 1 september 1997 studiefinanciering ontvangen in verband met het volgen van de opleiding culturele en maatschappelijke vorming aan de Hogeschool Eindhoven.

Vervolgens is aan appellant met ingang van 1 september 2005 opnieuw studiefinanciering toegekend in verband met de per die datum door appellant gestarte opleiding kunst en economie aan de Hogeschool Utrecht.

Bij besluit van 26 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de IB-Groep in bezwaar gehandhaafd het besluit van 7 oktober 2005 waarbij appellant is meegedeeld dat hij vanaf 1 oktober 2006 geen recht heeft op studiefinanciering. Ter motivering is in het bestreden besluit verwezen naar het bepaalde in artikel 2.13 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd en dat de IB-Groep het in rechte te honoreren vertrouwen bij appellant heeft gewekt dat hij ook na 1 oktober 2006 recht zou hebben op studiefinanciering. In verband met het beroep op het vertrouwensbeginsel is naar voren gebracht dat hij voorafgaand aan de aanmelding voor de studie in 2005 herhaalde malen telefonisch contact heeft gehad met medewerkers van de IB-Groep over zijn recht op studiefinanciering. In deze telefonische contacten heeft hij telkenmale gemeld dat hij in het jaar 1996/1997 reeds studiefinanciering had ontvangen en werd hem desgevraagd meegedeeld dat hij voor de per 1 september 2005 aan te vangen studie nog 37 maanden recht had op een prestatiebeurs (en aansluitend recht op een lening). In hoger beroep wordt hieraan toegevoegd dat bovengenoemde telefonische mededeling onder meer is gedaan door mevrouw I. Bogers van de IB-Groep maar deze mededeling nadien niet is weergegeven in de een maand later ontvangen schriftelijke bevestiging van

14 november 2005 van dit telefoongesprek. De Raad wordt verzocht mevrouw Bogers op te roepen en als getuige te (doen) horen. Voorts handhaaft appellant de stelling dat hij noch mondeling noch schriftelijk - via de Berichten studiefinanciering van 22 april 2005, 10 juni 2005 en 6 augustus 2005 - door de IB-Groep op de hoogte is gebracht van de zogeheten 10-jaarstermijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat gezien hetgeen van de zijde van de IB-Groep in het bestreden besluit is neergelegd en nadien in de rechterlijke procedure ter aanvulling naar voren is gebracht een voldoende inzichtelijke onderbouwing voor het bestreden besluit is gegeven.

De Raad overweegt vervolgens - hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is - dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 2.13, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 met ingang van 1 oktober 2006 geen aanspraak heeft op studiefinanciering.

Kern van het geschil is of de IB-Groep aanleiding had behoren te vinden om in afwijking van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 2.13 van de Wsf 2000 over te gaan tot voortzetting van verstrekking van studiefinanciering per 1 oktober 2006 op grond van schending van het vertrouwensbeginsel.

Dienaangaande is de Raad van oordeel dat appellant er ook in hoger beroep niet in is geslaagd om voldoende te onderbouwen en daarmee aannemelijk te maken dat onder de verantwoordelijkheid van de IB-Groep aan appellant in rechte te honoreren op zijn situatie toegespitste concrete toezeggingen zijn gedaan of dat appellant door onjuiste informatie van medewerkers van de IB-Groep op het verkeerde been is gezet. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant niet heeft aangegeven met welke medewerkers hij voorafgaand aan de aanmelding voor de studie in 2005 heeft gesproken, noch wanneer, zodat niet kan worden vastgesteld wat appellant in gesprekken met medewerkers van de IB-Groep precies heeft gevraagd en welke informatie in antwoord op zijn vragen is verstrekt. Ten aanzien van de in hoger beroep ingenomen stelling dat mevrouw Bogers van de IB-Groep hem telefonisch heeft meegedeeld dat hij nog

37 maanden recht had op studiefinanciering maar de een maand nadien ontvangen schriftelijke bevestiging van 14 november 2005 van dit telefoongesprek inhoudelijk afweek van de eerder door haar gedane mondelinge mededeling, overweegt de Raad als volgt. Uit de zich in het dossier bevindende brief van mevrouw Bogers van

14 november 2005 blijkt dat appellant mevrouw Bogers telefonisch heeft gesproken op 12 oktober 2005, derhalve eerst na het nemen van het besluit van 7 oktober 2005 waarbij is vastgesteld dat appellant ingaande 1 oktober 2006 niet langer recht heeft op studiefinanciering. Het voorgaande brengt met zich dat wat mevrouw Bogers in het telefoongesprek op 12 oktober 2005 aangaande appellants aanspraken op studiefinanciering ook heeft verklaard dit in ieder geval niet tot de vaststelling kan leiden dat er gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt aangaande de continuering van studiefinanciering per 1 oktober 2006 die moeten worden gehonoreerd.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om mevrouw Bogers te (doen) horen nu dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Voorzover appellant zich beroept op de onvolledigheid van de aan hem gegeven voorlichting ten aanzien van de 10-jaarstermijn overweegt de Raad dat - zo er al leemtes zijn in het door de IB-Groep ten tijde hier van belang verstrekte voorlichtingsmateriaal - een positieve en rechtens relevante toezegging door de IB-Groep in beginsel niet kan voortvloeien uit een niet gedane of onvolledige mededeling.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Lochs.

JL