Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-3000 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies. Rechtgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3000 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 april 2006, 05/2097 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Bij schrijven van 9 mei 2007 heeft het Uwv een nader arbeidskundig rapport, gedateerd 25 april 2007, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 16 mei 2001 als gevolg van een verkeersongeval uitgevallen voor haar werkzaamheden als interieurverzorgster. Met ingang van 15 mei 2002 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 25 november 2004 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van

25 januari 2005 ingetrokken, daar zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 2 juni 2005 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van

25 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante acht zich volledig arbeidsongeschikt. Naast de lichamelijke gevolgen die zij van het verkeersongeval stelt te ondervinden in de vorm van nek- en rugklachten alsmede hoofdpijn, wijst ze in het bijzonder op de psychische klachten die zij - in reactie op haar lichamelijke problemen - heeft ontwikkeld. Appellante stelt dat zij zwaar op de hand is geworden.

De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv op goede gronden hebben aangenomen dat appellante nog over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid beschikt. Van ADL-afhankelijkheid dan wel van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren blijkt volgens de beschikbare medische gegevens geen sprake te zijn. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen, naast de resultaten van eigen onderzoek, ook informatie van behandelaars van appellante in hun oordeelsvorming hebben betrokken, met name een aantal brieven van de aan het instituut Blixembosch verbonden revalidatiearts

W.M.G.C. Hitters alsmede een brief van de huisarts van appellante.

Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat haar beperkingen, in het bijzonder haar beperkingen op het psychische vlak, aanzienlijk zijn onderschat. De omtrent appellante beschikbare medische gegevens zoals deze uit het dossier naar voren komen, bevatten ook naar het oordeel van de Raad evenwel onvoldoende aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante in die stellingname te kunnen volgen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. Van de zijde van appellante zijn in hoger beroep geen nadere medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot een andersluidend oordeel.

Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, staat voor de Raad ook genoegzaam vast dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies passend zijn voor appellante. Nu evenwel de geschiktheid van die functies eerst met het in hoger beroep ingebrachte arbeidskundig rapport van 25 april 2007 geacht kan worden deugdelijk te zijn toegelicht, ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen, en de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 322, - en in hoger beroep op € 644, -.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL