Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-1343 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid en volledigheid medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1343 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 januari 2006, 03/771 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.J. van Loon.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is in mei 1999 wegens borstkanker uitgevallen voor haar werkzaamheden in een bloemenwinkel. Er heeft een totale borstamputatie plaatsgevonden. Postoperatief ontstonden pijnklachten, welke mede - naast overwegingen van cosmetische aard - aanleiding hebben gevormd tot het uitvoeren van een borstreconstructie, waarvoor appellante buikoperaties heeft moeten ondergaan.

Appellante is met ingang van 26 mei 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 11 juni 2003 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van

11 augustus 2003 ingetrokken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 18 november 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft in beroep tegen het bestreden besluit naar voren gebracht dat zij nog steeds hevige pijnklachten ervaart, zowel ten gevolge van de borstoperatie als ten gevolge van de buikoperaties. Voor die pijnklachten gebruikt appellante zware pijnstillers. Als gevolg van de aanhoudende lichamelijke problemen zou appellante voorts in een depressie zijn geraakt, waarvoor zij zich onder behandeling heeft gesteld van een psycholoog. Appellante is de mening toegedaan dat met haar klachten en beperkingen - die volgens appellante voldoende objectiveerbaar zijn - onvoldoende rekening is gehouden.

De rechtbank heeft aanleiding gevonden zich te doen adviseren door een onafhankelijk medisch deskundige. Prof. dr. M.F. von Meyenfeldt, hoogleraar algemene chirurgie, in het bijzonder chirurgische oncologie, heeft op verzoek van de rechtbank omtrent appellante gerapporteerd. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 19 maart 2003 de fysieke mogelijkheden en beperkingen van appellante goed worden weergegeven. De werkzaamheden die zijn verbonden aan de bij de schatting betrokken functies kunnen volgens genoemde deskundige door appellante worden uitgevoerd. Hij heeft daaraan toegevoegd dat de pijnbeleving van appellante voor een aanzienlijke afname van haar functionele belastbaarheid kan leiden. Von Meyenfeldt acht zich niet in staat daar een maat of getal aan te geven. Hij sluit niet uit dat het grootste probleem voor appellante op het psychische vlak is gelegen. Een psycholoog zou hier, aldus de deskundige, wellicht een concreter beeld kunnen geven.

Daarop heeft de rechtbank de psychiater B.J. van Eyk verzocht ook van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft aangegeven dat, bezien vanuit zijn vakgebied, appellante in staat moet worden geacht de betreffende werkzaamheden te verrichten.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de adviezen van beide deskundigen en heeft, die adviezen volgend, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerder vermelde opvatting gehandhaafd. Zij stelt dat de rechtbank de verkeerde specialisten heeft geraadpleegd: volgens appellante had de rechtbank in plaats van een chirurg en een psychiater een pijnbestrijdingsarts moeten inschakelen. Zij houdt staande dat onvoldoende rekening is gehouden met haar pijnklachten en de daarvoor door haar gebruikte medicatie.

De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de conclusies van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige in beginsel dienen te worden gevolgd. Er is niet kunnen blijken van een genoegzame grond om in het geval van appellante van die hoofdregel af te wijken.

De Raad overweegt daarbij vooreerst dat hij appellante niet kan volgen in haar opvatting dat de rechtbank een deskundige of deskundigen van een andere discipline had moeten raadplegen. Gelet op haar ziektegeschiedenis en de door appellante ondergane behandelingen, als hiervoor vermeld, lag de door de rechtbank in eerste instantie gemaakte keuze voor een chirurg, gespecialiseerd in chirurgische oncologie, alleszins in de rede.

De Raad gaat er voorts van uit dat Von Meyenfeldt, indien hij van oordeel zou zijn dat de problematiek van appellante niet (mede) op zijn terrein is gelegen en hij om die reden geen gezaghebbende uitspraken kon doen inzake de hem voorgelegde vragen, zulks expliciet zou hebben aangegeven. Uitlatingen in die zin zijn door hem evenwel niet gedaan. Evenmin heeft deze deskundige aangegeven dat aanleiding bestaat voor aanvullend onderzoek door een pijnbestrijdingsarts.

Wel heeft hij opgemerkt het niet uitgesloten te achten dat de problematiek van appellante op het psychische vlak ligt, in verband waarmee hij heeft geadviseerd appellante ook door een psycholoog te doen onderzoeken. De door de rechtbank gemaakte keuze om, in overeenstemming met dit advies, een psychiater in te schakelen voor een vervolgonderzoek, acht de Raad derhalve eveneens een begrijpelijke en juiste keuze. Overigens is in dit kader niet zonder belang dat van de zijde van appellante zelf in beroep is aangegeven dat zij psychische problemen ondervindt in de vorm van depressieve klachten en dat zij zich in verband daarmee onder behandeling heeft gesteld van een psycholoog.

Voorts overweegt de Raad dat hij evenmin als de rechtbank aanleiding heeft voor twijfel aan de juistheid van de conclusies waartoe beide deskundigen zijn gekomen. De door appellante in hoger beroep ingezonden stukken bevatten geen medische gegevens die nieuw licht op de zaak werpen. Voorts is de Raad van oordeel dat de rapporten van de deskundigen blijk geven van een voldoende zorgvuldig en diepgaand onderzoek, terwijl hun beider conclusies aan de hand van relevante medische inzichten op overtuigende wijze zijn onderbouwd.

De Raad komt tot de slotsom dat de in het bestreden besluit vervatte intrekking van de WAO-uitkering van appellante in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL