Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
05-6322 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6322 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2005, 05/687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Huisman, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant is een nader stuk met bijlagen ingezonden.

Het Uwv heeft vervolgens rapportages ingediend van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige, waarop namens appellant een aanvullend stuk met bijlagen is ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen. Hier volstaat hij met het volgende.

Appellant ontving voorafgaand aan het besluit van 27 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) een uitkering, ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 21 maart 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat het Uwv niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Daarbij is geoordeeld dat de informatie van de neuroloog dr. J.W. Stenvers en revalidatiearts W.C.G. Blanken door de bezwaarverzekeringsartsen afdoende is meegewogen en dat met de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten en beperkingen van appellant. Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies heeft de rechtbank niet noodzakelijk geacht. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de geduide functies binnen appellants belastbaarheid vallen en dat de mogelijke overschrijdingen genoegzaam zijn gemotiveerd. Het Uwv heeft, aldus de rechtbank, terecht de WAO-uitkering van appellant herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

In hoger beroep is namens appellant -kort samengevat- aangevoerd dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet adequaat is verricht en dat deze artsen onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn chronische oorontsteking, de aanwezigheid van krachtsvermindering, hypertonie, pijnpunten in de onderarmen en een chronisch pijnsyndroom dat belastingsafhankelijk is. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de overgelegde informatie van de behandelend neuroloog Stenvers, revalidatiearts Blanken, KNO-arts en huisarts. Voorts is aangevoerd dat appellant door zijn klachten niet in staat is om de geduide functies te vervullen. Ten slotte is de beroepsgrond naar voren gebracht dat naast de datum in geding, 21 maart 2004, eveneens ter beoordeling staat de datum

28 april 2003, zijnde de datum waarop appellant zich vanuit de Werkloosheidwet toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld.

De Raad overweegt als volgt.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad stelt allereerst vast dat het Uwv bij het bestreden besluit heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2004 betreffende voortzetting van zijn WAO-uitkering per 21 maart 2004, alsook heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 maart 2004 betreffende de herziening van zijn WAO-uitkering met ingang van vier weken na de ziekmelding op 28 april 2003.

Bij brief van 2 februari 2005 is namens appellant beroep aangetekend tegen het bestreden besluit voor zover dat besluit betrekking heeft op het voormelde besluit van 3 maart 2004. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad stelt vast dat de grenzen van dit geding door het beroep van appellant zijn bepaald en dat enkel de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 21 maart 2004 ter beoordeling staat. Appellants beroepsgrond ten aanzien van de datum 28 april 2003 valt om die reden dan ook buiten de omvang van dit geding.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling ziet de Raad evenals de rechtbank geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat appellant zowel in de primaire fase als in bezwaar door de (bezwaar)verzekeringsartsen is onderzocht, dat informatie van de behandelend neuroloog Stenvers, revalidatiearts Blanken, alsook de brief van de KNO-arts en het journaaloverzicht van de huisarts zijn meegewogen en dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met alle klachten van appellant. In dit verband merkt de Raad op dat Stenvers appellant op 6 april 2004, dus vlak na de in geding zijnde datum nog heeft onderzocht en toen een normale beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom en geen duidelijke bewegingsbeperkingen in de schouder constateerde. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de medische toestand van appellant heeft de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.

Wat betreft het arbeidskundige aspect van de schatting verenigt de Raad zich eveneens met hetgeen hieromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen. De Raad is, uitgaande van de juistheid en volledigheid van de vastgestelde beperkingen bij appellant, niet gebleken dat hij de voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat tussen de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts overleg heeft plaatsgevonden, dat genoegzaam is gemotiveerd waarom er geen sprake is van overschrijdingen van de belastbaarheid en dat hierbij het commentaar van de revalidatiearts Blanken op de geduide functies voldoende gemotiveerd is weerlegd. Gelet op de aan de functies te ontlenen verdiencapaciteit en het voor appellant maatgevende inkomen, dient de indeling in de klasse 55 tot 65% voor juist te worden gehouden.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL