Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
07-3077 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding termijn indienen bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 1:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3077 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 april 2007, 06/1996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Moolenaars, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brieven van 19 november 2007 en 23 november 2007 nog enkele stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 30 november 2007. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij op 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden voor een (ex)werknemer die een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van het Uwv ontvangt. Het bezwaar dat appellante tegen dit besluit heeft gemaakt, is door het Uwv bij besluit van 9 juni 2006 (het bestreden besluit) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de termijn van 6 weken onverschoonbaar te laat is ingediend.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 9 juni 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet in geding is dat het bezwaarschrift van 19 april 2006 onverschoonbaar te laat door appellante is ingediend. De rechtbank is voorts van oordeel dat de e-mail van 12 april 2006 niet als een bezwaarschrift kan worden aangemerkt, omdat daarin op geen enkele wijze te kennen wordt gegeven dat appellante het niet eens is met het besluit van 7 maart 2006.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de op 12 april 2006 door een medewerker van de ABN AMRO Bank N.V. aan een medewerker van het Uwv verzonden email als een tegen het besluit van 7 maart 2006 gericht bezwaarschrift moet worden aangemerkt, zodat wel tijdig bezwaar is gemaakt. In deze mail komt de medewerker van de ABN AMRO Bank N.V. terug op een telefoongesprek dat hij heeft gehad met de Uwv-medewerker aan wie de mail is gericht, betreffende de vraag of appellante (deels) als eigen risicodrager verantwoordelijk is voor de WAO-uitkering van een (ex)werknemer.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de persoon van de verzender van de mail, gelet op de context waarin de mail is verzonden en nu door de directeur van appellante bij brief van 19 april 2006 bezwaar is gemaakt, was de mail niet bedoeld om daarmee bezwaar te maken tegen het besluit van 7 maart 2006. Uit de gedingstukken blijkt bijvoorbeeld ook niet dat de verzender van de mail op de hoogte was van het bestaan van dat besluit.

Het Uwv had die mail ook niet als een mogelijk bezwaarschrift in de zin van de artikelen 6:4 juncto 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in behandeling hoeven nemen.

Uit de tekst van de mail blijkt op geen enkele wijze dat daarmee bedoeld is aan het Uwv kenbaar te maken dat appellante het niet eens is met het primaire besluit van 7 maart 2006. Het primaire besluit is niet genoemd of bijgevoegd en de termen bezwaar of beroep worden niet vermeld, noch worden vergelijkbare aanduidingen gebruikt waaruit kan worden afgeleid dat appellante zich niet met het besluit kan verenigen. Dat in de mail is aangegeven dat de zaak inmiddels in handen is gegeven van de rechtsbijstandverzekeraar acht de Raad onvoldoende, omdat in de mail is aangegeven dat dit is gebeurd om te onderzoeken of het standpunt van met name het Uwv over de ex-werknemer correct is. Uit een door het Uwv overgelegd telefoonrapport blijkt bovendien dat de Uwv-medewerker op 13 april 2006 naar aanleiding van de mail telefonisch contact heeft gehad met de medewerker van de ABN AMRO Bank en dat tijdens dit gesprek nog is gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het meergenoemde besluit.

Dat bezwaarschrift is vervolgens ingediend door middel van de brief van 19 april 2006 van de directeur van appellante, bij het Uwv uitgekomen op 20 april 2006, en is als zodanig ook door het Uwv in behandeling genomen. Dit bezwaarschrift is echter buiten de termijn van zes weken onverschoonbaar te laat ingediend bij het Uwv.

Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter, en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

JL