Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
05-5925 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5925 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2005, 04/5681 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft een reactie van de bezwaarverzekeringsarts op het hoger beroepschrift van 5 januari 2006 ingezonden en desgevraagd bij brief van 10 augustus 2007 nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Lieftink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet nadat zij eerder werkzaam was geweest als assistent kinderleidster voor 30,4 uur per week. Per

7 juni 2002 heeft zij zich ziek gemeld met rug- en knieklachten.Ter beoordeling van het recht op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 4 oktober 2003 – de datum waarop de in verband met de zwangerschap en bevalling van appellante verlengde wachttijd ten einde liep – is appellante op 3 februari 2004 onderzocht door de voor het Uwv werkzame arts R.J. van Pinxteren, die in zijn rapport van dezelfde datum appellante belastbaar heeft geacht overeenkomstig de door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 februari 2004. Door de arbeidsdeskundige M.A.J. van den Berg werd vervolgens een aantal functies uit het Claim Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS) geselecteerd en aan appellante voorgehouden, waarna het Uwv bij besluit van 10 maart 2004 aan appellante een WAO-uitkering heeft geweigerd onder overweging dat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 4 oktober 2003 minder dan 15% is. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Voorts heeft zij bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Zij stelde wel vast dat het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan niet was voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004,

LJN-nummers AR4716 en volgende, maar zij heeft geconcludeerd dat ter zitting namens het Uwv een adequate motivering voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gegeven, waaruit blijkt dat appellante geen verlies aan verdiencapaciteit heeft per de in geding zijnde datum.

In hoger beroep is namens appellante opnieuw aangevoerd dat zij veel zwaardere medische beperkingen heeft dan waarvan het Uwv en de rechtbank zijn uitgegaan en dat zij om die reden de geduide functies niet kan verrichten. Ter ondersteuning van dit standpunt is een verklaring van de huisarts van 22 november 2005 overgelegd. Voorts is aangevoerd dat mevrouw J. Zwier, de behandelend psycholoog van appellante, op

22 november 2005 telefonisch aan de gemachtigde van appellante heeft meegedeeld dat appellante sedert januari 2005 onder haar behandeling is wegens depressieve klachten en problemen met de opvoeding van haar kinderen.

Het gaat in dit geding over de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke in haar rapport van 7 september 2004 geaccordeerde FML, zoals in de primaire fase opgesteld door de arts Van Pinxteren, geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Fokke kennis droeg van het feit dat appellante een antidepressivum gebruikte op voorschrift van de huisarts en ervan op de hoogte was dat op 23 februari 2004 in opdracht van de orthopedisch chirurg een scan is gemaakt in verband met de lage rug- en heupklachten van appellante. Fokke concludeerde dat er nauwelijks sprake was van objectiveerbare problematiek, maar wel van uitgebreide pijnklachten, waarvoor door Van Pinxteren ruim voldoende beperkingen zijn geformuleerd. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren biedt naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante per 4 oktober 2003 onjuist zijn vastgesteld, of tot zodanige twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de bezwaarver-zekeringsarts dat opdracht moet worden gegeven tot een nader medisch onderzoek. De verklaring van appellantes huisarts vermeldt wel dat er al langere tijd sprake is van hoofdpijn-, rug- en spanningsklachten, maar biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij rond 4 oktober 2003 meer beperkingen ondervond dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij is het de Raad opgevallen dat zich in de computer-uitdraai van de huisarts geen informatie bevindt over de periode van 17 augustus 2001 tot 20 augustus 2004. De informatie van de psychologe Zwier bevat evenmin aanknopings-punten omtrent de gezondheidstoestand van appellante rond de in geding zijnde datum.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de functies van inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en productiemedewerker textiel (SBC-code 272043), waarop de schatting per 4 oktober 2003 is gebaseerd, niet zou kunnen verrichten, hetgeen erin resulteert dat er per die datum geen verlies aan verdiencapaciteit bestaat.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL