Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06/4051 AW + 06/4091 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag klinisch fysicus bij de afdeling Urologie van het azM. Verzoek om schadevergoeding. Samenstelling rechtbank. Handelswijze rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/63 met annotatie van AB
NJB 2008, 408
TAR 2008/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4051 AW + 06/4091 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene],

en

de Raad van Bestuur van het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis] (hierna: bestuur),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juni 2006, 05/2650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het bestuur

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Elk van de partijen heeft hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben elk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.S.P. Stuiver, advocaat te De Meern. Voorts is ter zitting verschenen A.M.A. Groot, zenuwarts te Geleen, als door betrokkene meege-brachte deskundige. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, die zich liet bijstaan door drs. L.J.H.M. Brans Brabant, vice-voorzitter van het bestuur, en mr. M.H.J. Leroi-van Deur, werkzaam bij het academisch ziekenhuis Maastricht (hierna: azM).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2005, 03/3876 AW. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Betrokkene is sinds 1989 werkzaam geweest als klinisch fysicus bij de afdeling Urologie van het azM. In het najaar van 1997 heeft de afdeling Urologie een nieuw afdelingshoofd gekregen.

1.2. In de jaren vanaf medio 1998 heeft betrokkene langere perioden van ziekteverzuim gehad, hebben er veel incidenten plaatsgevonden tussen betrokkene en het afdelingshoofd en zijn er conflicten ontstaan over rechtspositionele besluiten met betrekking tot appellants honorering. Bij besluit van 7 december 2000 heeft het bestuur betrokkene met ingang van 31 december 2000 eervol ontslag verleend op grond van artikel 96, eerste lid, aanhef en onder f, van het toen geldende Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (hierna: RRAZ) wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 augustus 2001 onder toekenning van een schadeloosstelling van f 40.000,- (€ 18.151,21), ongegrond verklaard.

1.3. Nadat de rechtbank Maastricht het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2001 ongegrond had verklaard, heeft de Raad bij zijn uitspraak van 4 augustus 2005, 03/3876 AW, waarin het besluit van 22 augustus 2001 is aangeduid als bestreden besluit, overwogen:

“4.6. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit, waarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd, niet op een deugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is gehandhaafd, dient te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

5. Met betrekking tot het verzoek van appellant om schadevergoeding overweegt de Raad het volgende. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van een motiveringsgebrek en dat gedaagde een nader besluit op bezwaar dient te nemen. Nu nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken.

Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.”

Het dictum van die uitspraak luidt:

“Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 7 december 2000;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 650,50 en in hoger beroep tot een bedrag van € 678,50, te betalen door het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis];

Bepaalt dat het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 277,10 vergoedt.”

1.4. Bij brief van de griffier van de Raad van 6 september 2005 is aan partijen meege-deeld dat op pagina 5, laatste alinea, - dit is het hiervoor geciteerde dictum - tweede zin, dient te worden gelezen als “Vernietigt het besluit van 22 augustus 2001”. Aan partijen is een verbeterde versie van de uitspraak van 4 augustus 2005 toegezonden.

1.5. Inmiddels had betrokkenes gemachtigde bij brief van 29 augustus 2005 aan het bestuur verzocht om betrokkene in de positie te brengen die hij had voor het vernietigde ontslag, onder vermelding van een tiental concrete betalingen (met bijbehorende schade-vergoeding) en handelingen die daartoe moesten geschieden.

1.6. Na een nieuwe hoorzitting heeft het bestuur bij besluit van 16 december 2005 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2000 beslist. Kort samengevat heeft het bestuur besloten om het aan betrokkene bij besluit van 7 december 2000 verleende eervolle ontslag te wijzigen in die zin dat het ontslag wordt verleend op grond van artikel 100, eerste lid, van het RRAZ met handhaving van de ingangsdatum van 31 december 2000. Aan betrokkene is met toepassing artikel 147 van het RRAZ een aanspraak op een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid personeel academische ziekenhuizen, respectievelijk de uitkering ingevolge artikel 12.12, derde lid, van de CAO AZ gegarandeerd voor zover die aanspraak geldend gemaakt kan worden, gelet op het inmiddels ontvangen ziekengeld en de WAO-uitkering.

Mede in het licht van de door de Raad bij zijn uitspraak van 4 augustus 2005 gegeven opdracht om aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om aan betrokkene schade te vergoeden, heeft het bestuur besloten dat er geen reden is voor vergoeding van de door betrokkene genoemde materiële schadeposten. Het aan betrokkene bij het besluit van 22 augustus 2001 vanwege mogelijke tekortkomingen van de zijde van het bestuur jegens betrokkene toegekende bedrag van € 18.151,21 is bij het besluit van 16 december 2005 ten titel van immateriële schade verhoogd naar

€ 27.226,93, te vermeerderen met het bedrag dat hierover aan belasting verschuldigd zal blijken te zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, beslist op het beroep tegen het besluit van 16 december 2005, op het beroep - dat is ingesteld bij het door het bestuur als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift van 15 december 2005 - tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van betrokkene van 29 augustus 2005 en op het beroep - dat is ingesteld bij het door het bestuur doorgezonden bezwaarschrift - tegen het in het besluit van 16 december 2005 gelegen besluit inzake schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot het verzoek van 29 augustus 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen het schadebesluit in het besluit van 16 december 2005 is door de rechtbank als beroep tegen dat besluit aangemerkt en het beroep tegen het besluit van 16 december 2005 is ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van het bestuur is gericht tegen een tweetal overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep van betrokkene strekt er - kort samengevat - toe dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en dat de besluiten van 16 december 2005 en 7 december 2000 vernietigd worden.

A. Het hoger beroep van het bestuur

4. Het hoger beroep van het bestuur is gericht tegen (i) de omstandigheid dat de rechtbank - kort samengevat - het bestuur niet heeft gevolgd in zijn opvatting, dat de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2005 meebracht dat er een blokkade lag op de inbreng van nieuwe medische stukken en op het aanvoeren van medische gronden door betrokkene, en tegen (ii) de suggestie in de aangevallen uitspraak dat de personeelssamenstelling op de afdeling inmiddels drastisch zou zijn gewijzigd.

4.1. De Raad stelt vast dat het bestuur met de ongegrondverklaring van het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 december 2005 materieel volledig in het gelijk is gesteld. In de hiervoor genoemde hogerberoepsgronden van het bestuur kan de Raad geen direct tot de rechtsstrijd van partijen te herleiden zelfstandig (proces)belang van het bestuur bij een oordeel van de Raad ontwaren. Het bestuur kan immers in een situatie als hier aan de orde zijn andersluidende zienswijze op de aanvaardbaarheid van de inbreng van nieuwe medische stukken en medische gronden alsmede de correcte informatie over de personele samenstelling van de afdeling Urologie bij wijze van verweer tegen het hoger beroep van betrokkene naar voren brengen.

4.2. Het hoger beroep van het bestuur zal dus wegens het ontbreken van (proces)belang niet-ontvankelijk verklaard worden.

4.3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand en € 36,82 aan reiskosten. Voor vergoeding van de kosten van de door betrokkene meegebrachte deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

B. Het hoger beroep van betrokkene

5. De samenstelling van de rechtbank

5.1. Betrokkene is van opvatting dat de rechtbank de behandeling van het beroep niet had mogen laten geschieden door een enkelvoudige kamer bestaande uit dezelfde rechter die ook uitspraak had gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot hetzelfde besluit. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen maar tevens om de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank.

5.2. De Raad stelt voorop dat de door betrokkene gewraakte handelwijze van de rechtbank niet in strijd komt met enig (wettelijk) voorschrift. Dit neemt niet weg dat de Raad het in het algemeen onwenselijk acht als een beroep in een bodemprocedure wordt behandeld door of mede door dezelfde rechter die eerder uitspraak heeft gedaan op een verzoek om een voorlopige voorziening in dezelfde zaak.

5.3. Toch kan de Raad de opvatting van betrokkene in dit geval niet volgen. De voor-zieningenrechter heeft ter zitting met het oog op een mogelijke spoedige behandeling van de bodemzaak bij partijen een behandeling door hem zelf aan de orde gesteld. Beide partijen hebben hierin bewilligd. Voorts bevatte de uitspraak van de voorzieningenrechter geen voorlopig oordeel ten gronde, maar een afwijzing van het verzoek bij gebreke van een spoedeisend belang. Niet gebleken is dat betrokkene en zijn raadsman ter gelegenheid van de behandeling ter zitting van de rechtbank protest hebben geuit tegen de omstandigheid dat de voorzieningenrechter als unusrechter bleek te fungeren.

5.4. Het hoger beroep van betrokkene slaagt in zoverre dus niet.

6. De uitspraak van de Raad van 4 augustus 2005

6.1. Ook in hoger beroep is betrokkene van opvatting dat bij de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2005 het primaire ontslagbesluit van 7 december 2000 is vernietigd en dat geen betekenis toekomt aan de bij brief van 6 september 2005 toegezonden verbeterde versie van de uitspraak. Ten gevolge van de vernietiging van het primaire ontslagbesluit moet hij geacht worden sedert 31 december 2000 onafgebroken in dienst te zijn gebleven van het bestuur en dient hij hersteld te worden in zijn toenmalige positie onder toeken-ning van een vergoeding voor de schade die hij heeft geleden. Het bestuur heeft in de opvatting van betrokkene dan ook ten onrechte de verbeterde versie van de uitspraak van de Raad tot uitgangspunt genomen bij het nieuwe besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dit ten onrechte in stand gelaten.

6.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de door haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hieraan toe dat de in 1.3. geciteerde overwegingen van de Raad onmiskenbaar laten zien dat het bestreden besluit, dat wil zeggen het besluit van 22 augustus 2001, niet in stand kon blijven. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd over de betekenis en de uitvoering van het aanvankelijke dictum is gekunsteld en laat de Raad verder buiten bespreking.

6.3. De Raad wijst er voorts op dat het buitenwettelijke middel van rectificatie in de bestuursrechtspraak algemeen aanvaard wordt om een kennelijke misslag in een rechterlijke beslissing te herstellen; een kennelijke misslag kan zich ook in het dictum van een uitspraak voordoen. De door de Raad met betrekking tot zijn uitspraak van 4 augustus 2005 gebezigde methode was in die periode niet ongebruikelijk.

6.4. Het vorenstaande brengt ook mee dat het bestuur bij zijn nieuwe besluit met juistheid de gecorrigeerde versie van de uitspraak van 4 augustus 2005 als uitgangspunt heeft genomen. Nu de aangevallen uitspraak dit uitgangspunt eveneens als juist heeft aangemerkt, slaagt het hoger beroep van betrokkene in zoverre niet.

7. De als beroepschriften doorgezonden bezwaarschriften van 15 en 22 december 2005

7.1. Met betrekking tot het als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift van 15 december 2005, gericht tegen het achterwege blijven van een beslissing op het verzoek om betrokkene in zijn positie te herstellen, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De niet-ontvankelijkverklaring van dat beroep komt voor bevestiging in aanmerking.

7.2. De Raad deelt eveneens het oordeel van de rechtbank dat de beslissing in het besluit van 16 december 2005 over de schadevergoeding een besluit is als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb. Met de opvatting van betrokkene dat het besluit over de schadevergoeding een primair besluit is, miskent hij de opdracht van de Raad aan het bestuur om bij het nieuwe besluit op bezwaar mede een beslissing te nemen op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met de eventuele schade ten gevolge van het aanvankelijke ongeschiktheidsontslag.

7.3. De rechtbank heeft het door betrokkene daartegen gemaakte bezwaar dus terecht als onderdeel van het beroep tegen het besluit van 16 december 2005 aangemerkt. De omstandigheid dat er een schadebesluit was genomen, waartegen betrokkene een als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift had ingediend, brengt ook mee dat er in zoverre geen plaats was voor de toepassing van artikel 8:73 van de Awb door de rechtbank.

7.4. Het hoger beroep van betrokkene slaagt in zoverre dus niet.

8. Het ontslag op grond van artikel 100 van het RRAZ

8.1. Ingevolge artikel 100 van het RRAZ kan het bestuur eervol ontslag verlenen op andere gronden dan die in artikel 96 zijn geregeld of waarnaar daarin wordt verwezen.

8.2. De Raad kan betrokkene niet volgen in zijn opvatting dat bij de beoordeling van de houdbaarheid in rechte van het ontslag op grond van artikel 100 van het RRAZ de situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar maatgevend is. Naar vaste jurisprudentie (CRvB 22 maart 2007, LJN BA1618 en TAR 2007, 116, en CRvB 6 juli 2006, LJN AY4837 en TAR 2006, 157) hanteert de Raad zowel bij financiële aanspraken als in alle gevallen waarin een besluit naar zijn aard ziet op de omstandigheden in een bepaald tijdvak of op een bepaald tijdstip, waartoe ook ontslagbesluiten behoren, de zogenoemde

ex-tunctoetsing. Daarbij dienen het bestuursorgaan en de rechter wel met eventuele later opgekomen (nieuwe) feiten of omstandigheden rekening te houden, maar slechts voor zover deze een nieuw licht werpen op de situatie ten tijde van het van belang zijnde tijdvak of tijdstip.

8.3. Zoals de Raad voorts heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 augustus 2001, LJN AD5344 en TAR 2001, 155, is het, indien aan een ontslagbesluit een - niet de ingangsdatum betreffend - gebrek kleeft dat ertoe leidt dat een nieuw ontslagbesluit wordt genomen, niet ten principale ongeoorloofd om een ontslag op een andere grond te verlenen en om daarbij de oorspronkelijke ingangsdatum van het ontslag te handhaven, indien die handhaving althans de toetsing aan het geschreven en ongeschreven recht kan doorstaan.

Ook in zoverre dient de Raad dus de situatie in december 2000 tot uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit.

8.4. Partijen verschillen nog steeds van mening over de vraag of het bestuur bij de voorbereiding van het nieuwe besluit opnieuw aandacht had moeten besteden aan de gezondheidstoestand van betrokkene en in hoeverre daarbij het medische dossier over betrokkene van de bedrijfsarts en de gegevens over de WAO-uitkering in beschouwing hadden moeten worden genomen. Het bestuur kan zich in zoverre ook niet verenigen met de opvatting van de rechtbank dat de nieuwe medische stukken en de medische gronden in het geschil aan de orde mochten komen.

8.5. De Raad stelt voorop dat hij een ontslag op andere gronden niet als een ultimum remedium ziet. De Raad sluit in deze aan bij al oude jurisprudentie van de Raad over - het met artikel 100 van het RRAZ vergelijkbare - artikel 99 van het Algemeen Rijks-ambtenarenreglement. De Raad wijst met name naar zijn uitspraak van 14 december 1979, LJN BB8238. In de situatie dat er zowel termen zijn voor een ontslag op een van de specifieke gronden van de desbetreffende regelgeving zoals bijvoorbeeld ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte of gebreken, ongeschiktheid wegens ziekte, reorganisatie enzovoorts, als voor een ontslag “op andere gronden” heeft het bestuur een zekere vrijheid van keuze. Daarbij geldt dan wel dat de grond voor de gedane keuze duidelijk moet kunnen worden aangetoond.

8.6. Nu het bestuur gekozen heeft voor de toepassing van artikel 100 van het RRAZ met ingang van 31 december 2000, zal de Raad dus in de eerste plaats beoordelen of er in december 2000 voldoende grondslag aanwezig was voor zodanig ontslag.

8.7. Het bestuur is van opvatting dat er sprake was van ernstig verstoorde verhoudingen tussen betrokkene en het afdelingshoofd en tussen betrokkene en de afdeling zonder dat nog uitzicht bestond op herstel van een vruchtbare samenwerking. Betrokkene heeft de definitief verstoorde verhouding met het afdelingshoofd erkend maar heeft de aanwezigheid van een verstoorde verhouding ten aanzien van de afdeling betwist.

8.8. De Raad is van oordeel dat de in december 2000 aanwezige situatie mocht worden aangemerkt als een onherstelbare impasse. Dat de verstoorde verhoudingen zich in hoofdzaak manifesteerden met het afdelingshoofd neemt niet weg dat ook collega’s van betrokkene hebben laten blijken dat het niet goed mogelijk was op goede wijze met betrokkene samen te werken. De Raad wijst op de door de urologen ondervonden impasse in verband met de inzet van de klinischfysische ondersteuning voor de afdeling Urologie en klachten over het moeilijk te realiseren urodynamische overleg met betrokkene.

Anders dan betrokkene meent, ziet de Raad niet in dat het bestuur onvoldoende pogingen in het werk heeft gesteld om de problematische situatie op te lossen. Betrokkene heeft gedurende geruime tijd een behandeling gekregen als ware hij herplaatsingskandidaat. Vanuit die positie heeft betrokkene enige interne sollicitaties verricht. Aangezien betrokkene geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de afwijzing van zijn interne sollicitaties, gelden die beslissingen als in rechte vaststaande besluiten en kan in de afwijzingen geen grond gevonden worden voor een tekortschieten van het bestuur. Ook overigens heeft betrokkene niet gewezen op ten tijde hier van belang voor hem geschikte functies waarnaar hij overgeplaatst had kunnen worden.

De Raad is van oordeel dat de aldus ontstane situatie voldoende grondslag bood voor een ontslag met toepassing van artikel 100 van het RRAZ.

8.9. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het bestuur bij de uitvoering van de opdracht in de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2005 in weerwil van de in december 2000 aanwezige onherstelbare impasse, onderzoek had moeten laten instellen naar de door betrokkene inmiddels aan de orde gestelde ziekte ten einde te bezien of wellicht voorrang zou moeten worden gegeven aan de procedure zoals in de rechtspositie-

regeling voorgeschreven bij langdurige ziekte. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat betrokkene tijdens zijn dienstverband weliswaar veel ziekteverzuim heeft gehad, maar dat er nog geen daarop toegespitst rechtspositioneel traject was aangevangen. De Raad kan ook niet zonder betekenis achten dat betrokkene na zijn ziekmelding op 5 december 2000 en de voortduring van de ziekte niet eerder dan op 9 juni 2005 zijn ziekte in het kader van het verleende ontslag aan de orde heeft gesteld, terwijl hij wel steeds de hulp van een rechtsgeleerde raadsman heeft gehad bij het aanwenden van rechtsmiddelen tegen het (gehandhaafde) ontslag. De Raad merkt in dit verband nog op dat betrokkene medio 2001 wel gewoon heeft gesolliciteerd naar een functie bij de nieuw op te richten afdeling Bio Medische Technologie bij het azM.

Gelet op de onherstelbare impasse en de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het bestuur niet in strijd met enige regel van (on)geschreven recht gehandeld door een nader medisch onderzoek in de tweede helft van 2005 achterwege te laten. Het bestuur was dan ook bevoegd om betrokkene met ingang van 31 december 2000 ontslag “op andere gronden” te verlenen.

9. De ingevolge artikel 147 van het RRAZ bij het ontslag getroffen regeling

9.1. Tegen de bij het ontslag gegeven aanspraak op de gebruikelijke uitkeringsregeling heeft betrokkene geen grieven aangevoerd. De Raad laat dit dus verder onbesproken.

9.2. Het bestuur heeft betrokkene naast de uitkeringsregeling een (schade)vergoeding van € 27.226,93 toegekend. Gelet op hetgeen daaromtrent in het bestreden besluit is vermeld en de toelichting van het bestuur ter zitting begrijpt de Raad dat van dit bedrag € 18.151,21 als onderdeel van de bij het ontslag getroffen regeling geldt.

9.3. Betrokkene is van opvatting dat het in het najaar aangestelde afdelingshoofd ten volle de oorzaak is van de verstoorde verhouding. Hij meent op die grond en omdat ook de adviescommissie de suggestie deed hem een vergoeding op grond van de zogenoemde kantonrechtersformule toe te kennen, door hem becijferd op ten minste € 105.000,-, dat hem een aanzienlijk hogere vergoeding toekomt.

9.4. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat de toekenning van een (garantie op een) reguliere uitkeringsregeling zoals deze aan betrokkene is toegekend als onvoldoende moet worden aangemerkt, indien zou komen vast te staan dat het het bestuursorgaan is geweest dat een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse, of indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven genoemde (garantie op een) uitkering, niet redelijk heeft kunnen achten.

9.5. Anders dan betrokkene ziet de Raad niet in dat het bestuur het hierboven bedoelde overwegende aandeel heeft gehad. De Raad is van oordeel dat beide partijen een ongeveer gelijk aandeel hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de uiteindelijk in december 2000 aanwezige impasse. Partijen zijn elk voor zich niet in staat geweest om op een goede wijze te proberen tot werkbare verhoudingen te komen en hebben elk meermalen jegens de ander niet-constructieve handelingen verricht. De Raad volgt het bestuur in zijn opvatting dat de door betrokkene zonder enige adstructie genoemde misdragingen van het afdelingshoofd, die grotendeels na de ontslagdatum gelegen zouden zijn, volledig buiten beschouwing dienen te blijven. Betrokkene is derhalve met de toegekende vergoeding van € 18.151,21 bovenop de gebruikelijke uitkeringsregeling niet tekort gedaan.

9.6. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank gevolgd kan worden in haar conclusie dat het ontslag en de daarbij getroffen regeling in rechte stand kunnen houden.

10. Het besluit met betrekking tot de schadevergoeding

10.1. Onder verwijzing naar het onder 7.2. en 7.3. overwogene stelt de Raad vast dat ten gevolge van het terecht als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift tegen de in het bestreden besluit vervatte beslissing over de schadevergoeding het beroep in eerste aanleg tegen het bestreden besluit eveneens die beslissing betrof. Het aldus in beroep voorlig-gende schadebesluit betreft - uitsluitend - de schadevergoeding waarover het bestuur in opdracht van de Raad van 4 augustus 2005 een beslissing diende te nemen, derhalve met betrekking tot het vernietigde besluit van 22 augustus 2001.

10.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard zonder specifieke overwegingen over het schadebesluit. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

10.4. Nagenoeg alle door betrokkene in zijn brief van 29 augustus 2005 genoemde, en bij het bestreden besluit afgewezen, materiële schadeposten gaan uit van de niet aanwezige situatie dat het ontslag ongedaan zou zijn gemaakt. Omdat derhalve geen sprake was van die door betrokkene genoemde schadeposten kan de afwijzing daarvan in rechte standhouden. De door betrokkene gevraagde vergoeding van de kosten van juridische bijstand van € 98.046,87 is door het bestuur afgewezen omdat enige specificatie ontbreekt, betrokkene (grotendeels) rechtsbijstand heeft genoten op grond van een rechtsbijstandverzekering en betrokkene in door hem gewonnen procedures een proceskostenvergoeding heeft gekregen. Naar het oordeel van de Raad kan de afwijzing van deze schadepost door het bestuur eveneens in rechte standhouden, aangezien volgens vaste jurisprudentie voor vergoeding van deze kosten naast de forfaitaire vergoeding ingevolge artikel 8:75 van de Awb geen ruimte is.

10.5. De bij het bestreden besluit toegekende immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 9.075,72 is met name bedoeld als vergoeding voor de lange duur van de procedures. Tegen de achtergrond van ’s Raads jurisprudentie over de overschrijding van de redelijke termijn en de in dat verband gehanteerde bedragen aan schadevergoeding wegens onder-gane spanning en frustratie (zie bijvoorbeeld CRvB 31 juli 2007, LJN BB3560 en JB 2007/198) is betrokkene, gelet op de tijd gelegen tussen het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2000 en het besluit van 16 december 2005, met de toegekende immateriële schadevergoeding naar het oordeel van de Raad geenszins tekort gedaan. Dat betrokkene overigens door het aanvankelijk verleende ongeschiktheidsontslag psychisch letsel zou hebben geleden, is de Raad niet gebleken.

10.6. Het vorenstaande brengt mee dat ook dit onderdeel van het besluit van 16 december 2005 in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt met aanvulling van de motivering met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit voor bevestiging in aanmerking.

11. Op grond van al het vorenstaande is de slotconclusie van de Raad dat de aangevallen uitspraak, voor zover door betrokkene aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat de Raad geen termen ziet om met betrekking tot dit hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van het bestuur niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover door betrokkene aangevochten;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 680,82, te betalen door het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis];

Bepaalt dat van het academisch ziekenhuis [naam ziekenhuis] een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.A.M. Mollee en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q