Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2669 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar. Bestaat voor betrokkene nog aanspraak op de aanvullende en aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO of is deze door de overeengekomen beëindigingsregeling verloren gegaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2669 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 maart 2006, 05/4190 en 06/1189, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort –RWA Bedrijven (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.D.R. Toirkens, advocaat te Utrecht. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.C. Obbink, advocaat te Amersfoort, en

[naam directeur], concerndirecteur Sociale Zaken bij RWA-bedrijven.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Desgevraagd hebben beide partijen nadere standpunten ingediend. Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is op 1 augustus 1980 in dienst getreden van het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort-RWA Bedrijven. Vanaf 1 januari 2004 was appellant werkzaam in de functie van [naam functie]. Bij besluit van

17 november 2004 heeft het bestuur als disciplinaire straf aan appellant met ingang van

1 februari 2005 ongevraagd ontslag verleend op grond van artikel 8:13 van de Arbeids-voorwaardenregeling gemeente Amersfoort (hierna te noemen: CAR/UWO). Naar aanleiding van het advies van de Bezwaren- en geschillencommissie omtrent het tegen dit ontslag gemaakte bezwaar hebben partijen op 15 april 2005 overleg gepleegd over een beëindigingsregeling. De tijdens dit overleg gemaakte afspraken zijn neergelegd in een brief van gelijke datum van de raadsman van appellant aan de raadsman van het bestuur.

1.2. Bij besluit van 18 mei 2005 heeft het bestuur het bezwaar tegen het strafontslag gegrond verklaard en het ontslagbesluit van 17 november 2004 ingetrokken. Tevens heeft het bestuur conform de beëindigingsregeling bij dit besluit aan appellant met ingang van 1 juli 2005 op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag op andere gronden verleend. In verband met dit ontslag heeft het bestuur tevens aan appellant een bedrag van € 5000,- toegekend ten behoeve van outplacementfaciliteiten en een bedrag van € 9.471,- (bruto) ter compensatie en als schadevergoeding.

1.3. Aan appellant is ter zake van het ontslag een uitkering ingevolge de Werkloos-heidswet toegekend. Nadat naar aanleiding van een op 4 juli 2005 bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) ingediende aanvraag om een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van de CAR/UWO was gebleken dat het Uwv niet bevoegd was deze uitkeringsregeling voor de werkgever uit te voeren, heeft appellant zich op 12 augustus 2005 tot het bestuur gewend met het verzoek om hem een aanvullende en aansluitende uitkering, samen vormende de bovenwettelijke werkloos-heidsuitkering, overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/UWO toe te kennen. Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft het bestuur dit verzoek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 3 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) - voor zover hier relevant - het beroep tegen het besluit van 3 maart 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de mede-deling in de brief van 17 oktober 2005 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nu die mededeling slechts kan worden aangemerkt als een bevestiging van hetgeen reeds bij het ontslagbesluit van 18 mei 2005 is beslist, zodat deze niet is gericht op rechtsgevolg. Voorts heeft de rechtbank over-wogen dat een ontslag gebaseerd op artikel 8:8 van de CAR/UWO niet zonder meer aanspraak geeft op een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Anders dan de rechtbank ziet de Raad niet dat in het ontslagbesluit van 18 mei 2005 reeds een besluit is gelegen om aan appellant de aanvullende en aansluitende uitkering als bedoeld in artikel 10a van de CAR/UWO te weigeren. In dit besluit wordt aan appellant ontslag verleend en wordt hem daarnaast een outplacementfaciliteit en een bedrag ter compensatie en schadevergoeding toegekend. Het bevat verder geen enkele expliciete mededeling of beslissing ter zake van de aanspraken van appellant op uitkering bij de als gevolg van het ontslag intredende werkloosheid. Evenmin kan, bezien in het licht van de in de brief van 15 april 2005 neergelegde afspraken, in dit besluit een impliciete weigering van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering worden gelezen. In die brief is immers sprake van een regeling, waarbij aan appellant een ontslag zal worden verleend dat zodanig zal worden geformuleerd en gemotiveerd dat het is gericht op het behoud en/of verwerven van een ontslaguitkering. Naar het oordeel van de Raad is met het besluit van 17 oktober 2005 voor het eerst door het bestuur een beslissing gegeven omtrent de aanspraak op de aanvullende en aansluitende uitkering en is het daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Reeds om deze reden slaagt het hoger beroep en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

4. Het bestuur heeft geweigerd om aan appellant de aanvullende en aansluitende uitkering toe te kennen, omdat dit in het overleg op 15 april 2005 over de beëindiging van het dienstverband zou zijn overeengekomen. Met zoveel woorden zou - de raadsman van - appellant er tijdens dit overleg op zijn gewezen dat de toekenning van het bedrag van

€ 9.471,- en de tegemoetkoming in de kosten voor outplacement van € 5000,- de enige vergoedingen zouden vormen naast de te verwerven aanspraak op uitkering krachtens de Werkloosheidswet en dat bij deze afwikkeling van het dienstverband door de werkgever geen aanvullende en aansluitende uitkering zou worden uitbetaald. Van de zijde van appellant is weersproken dat in het overleg het al dan niet toekennen van de aanvullende en aansluitende uitkering aan de orde is geweest.

4.1. De Raad overweegt dat ingevolge artikel 10a:2, eerste lid, van de CAR/UWO recht heeft op een aanvullende uitkering de betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van (onder meer) artikel 8:8 van de CAR/UWO. Artikel 10a:15, eerste lid, van de CAR/UWO, bevat een gelijke bepaling voor de aansluitende uitkering.

4.2. De Raad wijst in dit verband bovendien op zijn vaste jurisprudentie volgens welke het beginsel van een behoorlijke belangenafweging met zich brengt dat een ontslag-verlening zoals hier aan de orde in het algemeen gepaard dient te gaan met toekenning van een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en de regeling(en) inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet.

4.3. Voorop staat derhalve dat aan een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO de aanspraak op een aanvullende en aansluitende uitkering is verbonden. Weliswaar is niet uitgesloten dat in het kader van een door werkgever en werknemer te treffen minnelijke regeling, resulterend in een beëindiging van het dienstverband op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, wordt afgesproken dat geen aanspraak zal bestaan op deze bovenwettelijke uitkering, doch dan dient dit wel ondubbelzinnig uit die overeenkomst te blijken.

4.4. Van het tussen partijen gevoerde overleg op 15 april 2005 is geen verslag gemaakt. De gemaakte afspraken zijn door de raadsman van appellant geformuleerd in zijn brief van diezelfde datum. Hierin is niet vermeld dat afgezien werd van de aanspraak op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Op deze brief is door het bestuur niet gereageerd. De keuze van partijen voor een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO is blijkens de brief in het bijzonder gemaakt omdat appellant dan in aanmerking zou komen voor een ontslaguitkering. In het licht hiervan had het op de weg van het bestuur gelegen om, indien in het overleg uitdrukkelijk was toegezegd appellant met dit ontslag slechts te verzekeren van een uitkering op grond van de Werkloosheids-wet en juist niet van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, de wederpartij erop te wijzen dat de weergave van hetgeen was overeengekomen in die brief onjuist, althans onvolledig was. Nu van de zijde van appellant de stellingen van het bestuur omtrent hetgeen op dit onderdeel afgesproken zou zijn, worden betwist en het bestuur de juistheid daarvan op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen, komt de Raad tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat appellant in de beëindigingsregeling zijn aanspraak op de bovenwettelijke uitkering van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO heeft prijs-gegeven.

4.5. Het bestuur heeft zich nog beroepen op de brief van 13 april 2005 aan de raadsman van appellant, waarin vooruitlopend op de bespreking van 15 april 2005 enkele gedachten omtrent de mogelijke inhoud van de beëindigingsregeling worden weergegeven. Voor zover hieruit zou kunnen worden afgeleid dat het bestuur het overleg is ingegaan met het voornemen om de bovenwettelijke uitkering uitdrukkelijk van de beëindigingsregeling uit te sluiten, leidt dit niet tot een ander oordeel, omdat dit voornemen op zichzelf nog niets zegt over de inhoud en uitkomst van het daaropvolgend overleg. Anders dan het bestuur heeft gesteld ziet de Raad niet dat appellant alleen al op grond van deze brief had moeten begrijpen dat de getroffen regeling niet anders kon inhouden dan dat de aan de beëin-diging van het dienstverband op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO verbonden aanspraak op bovenwettelijke werkloosheidsuitkering zou vervallen. Ten slotte merkt de Raad op dat het ook niet ongebruikelijk is om aan een ontslag met recht op ontslag-uitkering op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, nog een afzonderlijk bedrag als schadevergoeding te verbinden en dat appellant daarom niet reeds uit de toekenning van het bedrag van € 9.471,- behoefde te begrijpen dat deze vergoeding in de plaats zou komen van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanspraak van appellant op de aanvullende en aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO niet op grond van de met hem overeengekomen beëindigingsregeling verloren is gegaan. Deze uitkering is hem bij het in bezwaar gehandhaafde besluit dan ook ten onrechte geweigerd.

5. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Het bestuur zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,- aan kosten van rechtsbijstand en € 9,52,- aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het betreft de griffierecht- en proceskostenveroordeling;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 maart 2006;

Bepaalt dat het bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 814,52, te betalen door het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort-RWA Bedrijven;

Bepaalt dat het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort-RWA Bedrijven aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.12.