Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-196 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de minister appellante op juiste gronden de status van herplaatsingskandidaat toegekend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/196 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 november 2005, 05/638 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellante is in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Houben, werkzaam bij Abvakabo FNV. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten, advocaat te Zwolle, en J. Geerdes, werkzaam bij ICT Rechterlijke Organisatie (hierna: ICTRO).

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellante is werkzaam geweest als medior medewerker helpdesk (schaal 7) bij de afdeling Lokale Vestigingen Noord van ICTRO met als standplaats Groningen. In verband met een reorganisatie bij ICTRO heeft appellante desgevraagd aan de minister te kennen gegeven dat deze functie en organieke schaal een juiste uitgangspositie betreffen voor de reorganisatie. Vervolgens is appellante meegedeeld dat haar functie na de reorganisatie niet terugkeert in de organisatie. Daarop heeft zij aangegeven dat zij na de reorganisatie in aanmerking wil komen voor de functie van service medewerker senior (schaal 8, hierna: seniorfunctie) te Assen en voor de functie van service medewerker medior (schaal 7, hierna: mediorfunctie) te Assen. Bij brief van 29 oktober 2004 heeft de minister aan appellante meegedeeld dat zij niet geplaatst is op één van de beschikbare posities en dat hij voornemens is appellante met ingang van 1 januari 2005 de status van herplaatsingskandidaat toe te kennen. Daarop heeft appellante in haar zienswijze aangegeven dat zij feitelijk ook niet tot haar functie behorende supportwerkzaamheden heeft verricht. Zij heeft zich als allochtone vrouw tevens beroepen op het doelgroepen-beleid. Overeenkomstig het advies van de plaatsingsadviescommissie heeft de minister bij besluit van 1 december 2004 aan appellante met ingang van 1 januari 2005 de status van herplaatsingskandidaat toegekend. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 26 april 2005.

1.3. Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de minister ter herstel van een bevoegdheids-gebrek in het besluit van 26 april 2005, een nieuw besluit op bezwaar genomen dat eveneens strekt tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

26 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2005 ongegrond verklaard. Tevens zijn bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat zij als functievolgster is aan te merken van zowel de functie van junior medewerker servicedesk als van de mediorfunctie.

Appellante heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat zij haar grieven die zien op de seniorfunctie, prijs geeft. Deze blijven dan ook onbesproken.

3.2. Volgens het Sociaal plan ten behoeve van de reorganisatie van ICTRO wordt een functie geacht terug te komen in de nieuwe organisatie, indien de aan deze functie verbonden functiebeschrijving ongewijzigd terugkomt of indien een nieuwe functie voldoet aan een aantal criteria, waaronder de voorwaarde dat de functie behoort tot een zelfde functiefamilie, hetgeen betekent dat sprake is van naar aard en soort vergelijkbare werkzaamheden.

3.3. Blijkens de desbetreffende functiebeschrijvingen kenmerkt de functie van appellante zich door het registeren, classificeren en verhelpen van minder reguliere en meer complexe incidenten, terwijl het bij de functie van junior medewerker servicedesk gaat om het aannemen, verhelpen van eenvoudige en standaard incidenten. Daarnaast kent de functie van appellante bijkomende werkzaamheden zoals het deelnemen aan projecten, die bij genoemde nieuwe functie ontbreken. Voorts acht de Raad van belang dat de nieuwe functie alleen voorkomt bij een centrale helpdesk te Utrecht hetgeen wijst op een ander karakter dan dat van de decentrale functie die appellante vervulde. Gezien het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de functie van junior medewerker service-desk en de functie van appellante naar aard en soort vergelijkbare werkzaamheden inhouden. Appellante valt ten aanzien van deze functie dan ook niet als functievolgster aan te merken.

3.4. Over de vraag of appellante als functievolgster valt aan te merken ten aanzien van de mediorfunctie overweegt de Raad het volgende.

Hoewel tot de functie van appellante geen supportwerkzaamheden (werkplekonder-steuning) behoren staat voldoende vast dat zij bij gebreke van een supportmedewerker op haar standplaats, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen, feitelijk supportwerkzaam-heden heeft verricht. Naar het oordeel van de Raad is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante structureel een wezenlijk onderdeel van (nagenoeg) alle tot de mediorfunctie behorende taken heeft verricht. Zo blijkt uit het door haar zelf opgestelde overzicht “Vergelijking Hoofdtaken” en de functiebeschrijving van de mediorfunctie dat zij binnen één van de vier hoofdtaken lang niet alle werkzaamheden verrichtte. De andere drie hoofdtaken, bestaande uit het zorg dragen voor de beveiliging van de infrastructuur, het zorg dragen voor kennis- en informatieoverdracht aan gebruikers en het signaleren van ontwikkelingen en knelpunten en/of het adviseren erover, heeft zij volgens haar eigen overzicht in het geheel niet verricht. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante evenmin als functievolgster voor de mediorfunctie kan worden aangemerkt.

3.5. Aangezien de functie van appellante dus niet terugkomt in de nieuwe organisatie, valt zij niet aan te merken als functievolgster en volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat de minister appellante op juiste gronden de status van herplaatsingskandidaat heeft toegekend.

3.6. Voorts overweegt de Raad met betrekking tot het beroep van appellante op de hardheidsclausule als volgt. In artikel 17, tweede lid, van het Reorganisatiestatuut van het Ministerie van Justitie 1998 is bepaald dat het hoofd van dienst de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingkandidaat, voor wie een functie als passend wordt aangemerkt, kan herplaatsen in die functie. Hij kan hiervan op grond van artikel 17, vierde lid, aanhef en onder c, van voornoemd Reorganisatiestatuut afwijken als het uit een oogpunt van doelgroepenbeleid wenselijk wordt geacht feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid. Wegens het grote aantal functievolgers dat voor plaatsing in de mediorfunctie in aanmerking kwam, waren deze functies volledig bezet. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellante, die niet als functievolgster valt aan te merken, niet op een mediorfunctie te plaatsen.

3.7. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD

20.12.