Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
05-5173 ANW + 05-5174 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering betaalde ANW-uitkering. Inkomsten uit WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5173 ANW

05/5174 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene] (hierna: betrokkene), (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2005, 05/364 en 05/3587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2005 heeft de gemachtigde aan de Raad laten weten dat betrokkene is overleden. Desgevraagd hebben de erven te kennen gegeven de procedure te willen voortzetten.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellanten zijn, zoals voorafgaand was bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet van de Svb, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

Tevens ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van april 2002 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op 80 tot 100%, ten gevolge waarvan haar inkomen is gewijzigd.

Op 14 april 2003 heeft betrokkene een inkomstenopgaveformulier aan de Svb teruggezonden. Op dit formulier heeft betrokkene vermeld dat het netto-bedrag van haar WAO-uitkering was gewijzigd, met als bijlage een specificatie daarvan.

Naar aanleiding van de in april 2003 verstrekte gegevens heeft de Svb bij besluit van

15 april 2004 de aan betrokkene toegekende nabestaandenuitkering over april 2002 tot en met maart 2004 herzien en nader vastgesteld op in dat besluit genoemde bedragen. In een begeleidende brief bij dat besluit heeft de Svb aan betrokkene medegedeeld dat het voornemen bestaat de over voornoemd tijdvak onverschuldigd betaalde uitkering ad

€ 14.509,84 van haar terug te vorderen

In bezwaar hiertegen heeft betrokkene aangevoerd dat zij de Svb bij wijzigingsformulier van 18 mei 2002 al op de hoogte heeft gesteld van het feit dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd. Voorts heeft betrokkene erop gewezen dat zij hierop eerst na 2 jaar weer van de Svb heeft vernomen.

Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 april 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard, overwegende dat het desbetreffende wijzigingsformulier niet is ontvangen en dat betrokkene redelijkerwijs heeft kunnen weten dat zij te veel aan uitkering ontving. Ook is in aanmerking genomen de mate waarin aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt. Onder verwijzing naar artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het ter zake door de Svb gevoerde beleid, is overwogen dat herziening met volledige terugwerkende kracht onredelijk is en dat de daarmee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van betrokkene. De nabestaandenuitkering van betrokkene wordt eerst herzien vanaf april 2003.

Voorts heeft de Svb bij besluit van 24 februari 2005 besloten het te veel betaalde bedrag aan nabestaandenuitkering over de periode van april 2003 tot maart 2004 van

€ 7.663,36 terug te vorderen, en heeft bepaald dat dit bedrag met ingang van maart 2005 in maandelijkse termijnen van € 319,31 met betrokkenes nabestaandenuitkering wordt verrekend.

Betrokkene heeft hiertegen in bezwaar naar voren gebracht dat de aflossingstermijn gelet op haar financiële situatie te hoog is en dat de beslissing om te verrekenen met haar uitkering onredelijk is.

Bij beslissing op bezwaar van 20 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2005 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de aflossingstermijn betreft en heeft deze ingaande juni 2005 gesteld op € 221,76. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens betrokkene vastgehouden aan het standpunt ten aanzien van het inzenden van het wijzigingsformulier van 18 mei 2002. Voorts is betoogd dat betrokkene steeds opgave heeft gedaan van de (verhogingen van) haar inkomen en dat de nabestaandenuitkering ten onrechte is herzien. Tot slot is aangevoerd dat de sociale en financiële omstandigheden waarin betrokkene ten gevolge van haar terminale ziekte verkeert, zich verzetten tegen een volledige of gedeeltelijke terugvordering.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in het besluit van 15 april 2004 vastgestelde aanspraken van betrokkene op uitkering ingevolge de ANW van april 2002 tot en met maart 2004 juist zijn berekend en dat de Svb aan betrokkene over dat tijdvak te veel nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of de Svb, op grond van het door hem gevoerde beleid, de terugwerkende kracht van de herziening verder had dienen te beperken dan bij de bestreden besluiten is gedaan. Daarnaast wordt aangevoerd dat de terugvordering had moeten worden gematigd.

Met betrekking tot de herziening van de ANW-uitkering merkt de Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de ANW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de ANW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.

De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het wijzigingsformulier van 18 mei 2002 aan de Svb is verstuurd, waardoor betrokkene niet al haar verplichtingen is nagekomen. Voorts overweegt de Raad dat het betrokkene op grond van het informatiemateriaal van de Svb duidelijk had kunnen zijn dat zij, toen haar inkomen als gevolg van de verhoogde WAO-uitkering hoger was dan het door de Svb vastgestelde inkomen, meer nabestaandenuitkering ontving dan waarop zij recht had. Dit betekent dat de Svb naar het oordeel van de Raad op grond van de hiervoor weergegeven beleidsregels met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen redenen zijn om van herziening met volledige terugwerkende kracht van de ANW-uitkering met ingang van april 2002 af te zien.

Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de Svb belang aan:

- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin aan appellant een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende.

De Svb heeft bij het bestreden besluit 1 besloten de uitkering eerst met ingang van april 2003 te herzien omdat herziening met volledige terugwerkende kracht onredelijk is te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat zowel betrokkene als de Svb een verwijt kan worden gemaakt en dat de uit de volledige herziening voortvloeiende onverschuldigde betaling onevenredig ingrijpend is in het leven van betrokkene. Door de herziening bij het bestreden besluit 1 tot de helft te beperken, heeft de Svb naar het oordeel van de Raad niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb en het ter zake door hem gevoerde beleid. Het bestreden besluit 1 kan derhalve in rechte stand houden.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat aan betrokkene over de periode april 2003 tot april 2004 onverschuldigd uitkering is betaald.

Ingevolge artikel 53 van de ANW wordt, voorzover hier van belang, een uitkering die onverschuldigd is betaald, teruggevorderd. Uit deze bepaling volgt verder dat op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad constateert dat hetgeen namens betrokkene hiertegen is aangevoerd geen dringende redenen opleveren als hiervoor bedoeld, zodat gelet op het verplichtende karakter van artikel 53, eerste lid, van de ANW, de Svb gehouden was om tot terugvordering van de ten onrechte aan betrokkene teveel betaalde uitkering over de betreffende periode over te gaan. Tegen de invordering zijn namens betrokkene geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Ook het bestreden besluit 2 kan de rechterlijke toets doorstaan.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A. H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

IJ191107