Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06-1325 ZW en 06-4277 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. (On)geschiktheid voor "zijn arbeid". WAO-schatting; vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1325 ZW en 06/4277 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2006, 05/3597 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2006, 05/6295 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 28 november 2007. Namens appellant is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als plaatknipper, is in 2001 uitgevallen met meerdere klachten. Bij besluit van 1 november 2002 is hem per 5 november 2002 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat hij met passende functies een zodanig inkomen kon verwerven dat hij minder dan 15% werd geacht. Dit besluit staat in rechte vast. Appellant is vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

Vanuit die situatie heeft appellant zich op 22 oktober 2004 ziek gemeld. In verband daarmee is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) uitbetaald.

Op 8 en 22 november 2004 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die hem heeft doorverwezen voor een onderzoek in het kader van de WAO. Na medisch onderzoek op 10 januari 2005 heeft een andere verzekeringsarts voor appellant een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en die van toepassing geacht vanaf

18 november 2004, het einde van de verkorte wachttijd van vier weken. Na functieselectie heeft een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 15% berekend. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 4 juli 2005 geweigerd appellant per 18 november 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 7 december 2005 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2005 ongegrond verklaard.

Inmiddels was appellant in het kader van de ZW op 10 juni 2005 op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien. Deze was van oordeel dat de beperkingen van appellant ten opzichte van 18 november 2004 niet waren toegenomen en verklaarde hem per 11 juni 2005 geschikt voor de functie productiemedewerker industrie. Bij besluit van

17 juni 2005 heeft het Uwv appellant per 11 juni 2005 verdere uitkering ingevolge de ZW geweigerd. Bij besluit van 4 augustus 2005 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2005 ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen beide bestreden besluiten beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2.

Namens appellant is, kort samengevat, in hoger beroep aangevoerd dat het medisch oordeel onzorgvuldig tot stand is gekomen en ontoereikend is gemotiveerd. Appellant meent dat ten onrechte voorbij is gegaan aan de toename van zijn rugklachten en zijn toenemend medicijngebruik. Appellant heeft verder klachten in verband met chronische astmatische bronchitis en diabetes mellitus, knieklachten en psychische klachten. Appellant meent dat de bevindingen van de behandelende sector bewust zijn gebagatelliseerd.

De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de bestreden besluiten berusten op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant is in het kader van de ZW meerdere keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Deze heeft daarover uitgebreid gerapporteerd. De Raad heeft in deze rapportages geen inconsistenties kunnen ontdekken. Het medisch onderzoek in het kader van de WAO heeft ertoe geleid dat in de FML voor appellant een groot aantal beperkingen is aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft appellant op de hoorzittingen gezien. Weegink heeft de voor appellant per 18 november 2004 aangenomen beperkingen en het standpunt van de verzekeringsarts dat appellant op 11 juni 2005 niet meer beperkt was dan op 18 november 2004 gemotiveerd onderschreven. De door appellant ingebrachte (medische) informatie geeft de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van Weegink.

De arbeidsdeskundige heeft in het kader van de WAO-beoordeling voor appellant een aantal functies geselecteerd, waarvan de functies machinaal verspaner, productiemedewerker industrie en papierwarenmaker aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De Raad stelt vast dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt zodat deze functies voor appellant geschikt moeten worden geacht. Echter, nu het Uwv pas in hoger beroep de gegevens heeft verstrekt die nodig zijn om de geschiktheid van de functies te kunnen beoordelen, ziet de Raad aanleiding bestreden besluit 2 en aangevallen uitspraak 2, waarbij dit besluit in stand is gelaten, te vernietigen. De Raad bepaalt voorts dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 overweegt de Raad dat volgens zijn vaste jurisprudentie onder "zijn arbeid" wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Nu deze concretisering in het kader van de WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor "zijn arbeid", als hij voor al deze functies ongeschikt is.

Het Uwv heeft in dit geval als maatstaf arbeid genomen de functie productiemedewerker industrie, één van de functies die aan de schatting per 5 november 2002 ten grondslag was gelegd. De Raad stelt vast dat deze functie ook aan de schatting per 18 november 2004 ten grondslag ligt. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 2 is overwogen overschrijdt de belasting in deze functie de voor appellant per 18 november 2004 vastgestelde belastbaarheid niet. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de beperkingen van appellant op 11 juni 2005 niet waren toegenomen ten opzichte van 18 november 2004. Appellant moest dan ook op 11 juni 2005 in staat worden geacht deze functie te verrichten. Gelet daarop kan bestreden besluit 1 in stand blijven en dient aangevallen uitspraak 1 te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv in de zaak met registratienummer 06/4277 WAO te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt;

Bevestigt aangevallen uitspraak 1.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL