Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
05-5175 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is aanvraag om voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5175 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juli 2005, 04/2840 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006. Namens appellante is verschenen haar zoon [zoon], bijgestaan door mr. Drykoningen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde het College de gelegenheid te geven nader te reageren op de door appellante bij brief van 17 november 2006 in geding gebrachte medische rapportages.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 10 december 2003 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een voorziening aangevraagd in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten.

Op verzoek van het College heeft het Regionaal Indicatie Orgaan Loket 1 (hierna: RIO) op 9 januari 2004 advies uitgebracht.

Bij besluit van 28 januari 2004 heeft het College, onder verwijzing naar vorengenoemd advies, afwijzend op de aanvraag beslist.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2004 heeft het RIO op 19 augustus 2004 opnieuw advies uitgebracht aan het College. In het kader van dit laatste advies is de medisch adviseur E.C. Cleton ingegaan op de door appellante overgelegde informatie van haar huisarts J.W. Dommers van 3 april 2004. Tevens heeft de medisch adviseur in het onderzoek de omstandigheid betrokken dat appellante door de huisarts is doorverwezen voor een second opinion naar het UMC, hetgeen geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2004 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat uit de adviezen van 9 januari 2004 en 19 augustus 2004 is gebleken dat er geen sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening waardoor appellante geen gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer. Het College heeft daarbij ook betrokken de door appellante overgelegde informatie van haar huisarts van 13 september 2004.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

21 september 2004 ongegrond verklaard.

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Kort samengevat is hiertoe aangevoerd dat de adviezen welke aan het bestreden besluit ten grondslag liggen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen omdat er wel sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening, waardoor appellante niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft appellante een rapportage van de behandelend klinisch geriater dr. M.M. Samson van 28 juli 2006 in geding gebracht en bij brief van 17 november 2006 een drietal medische rapportages van 7 oktober, 10 oktober en 11 november 2006 van specialisten uit Marokko.

Naar aanleiding van vorengenoemde medische rapportages is het onderzoek ter zitting van 22 november 2006 geschorst. De Raad heeft daarbij bepaald dat het College de gelegenheid krijgt om op de medische rapportages te reageren.

Op verzoek van het College heeft E.C. Cleton-van den Dikkenberg, als arts verbonden aan de Geneeskundige en Gezondheidsdienst van de gemeente Utrecht, vervolgens de rapportages van 7 oktober, 10 oktober en 11 november 2006 in de medische beoordeling betrokken. In haar brief aan het College van 27 februari 2007 heeft zij aangegeven dat appellante sinds oktober 2006 bekend is met een chronische myeloproliferatieve ziekte van het type essentiële thrombocytaemie. Voorts heeft zij aangegeven dat er vanuit kan worden gegaan dat deze ziekte recent is ontstaan omdat uit de informatie van de geriater dr. M.M. Samson, verbonden aan het UMC, blijkt dat de thrombocytenaantallen in 2004 en 2005 normaal waren. In zoverre is er geen aanleiding de adviezen van 9 januari 2004 en 19 augustus 2004 te herzien.

Het College heeft de Raad, onder verwijzing naar de brief van dr. Cleton-van den Dikkenberg, bij brief van 5 maart 2007 medegedeeld dat de overgelegde informatie uit Marokko geen nieuwe gezichtspunten oplevert voor de periode in geding.

De Raad heeft appellante in de gelegenheid gesteld nader te reageren waarop appellante bij brief van 7 april 2007 heeft aangegeven dat - nog in het midden gelaten of de thans vastgestelde hematologische aandoening zich niet al eerder manifesteerde - de medische situatie van appellante haar ook ten tijde in geding reeds belemmerde zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe regels vast bij verordening.

Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wvg heeft de raad van de gemeente Utrecht de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Utrecht 2004 (hierna: Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Verordening kan een voorziening worden toegekend - voor zover hier van belang - indien en voor zover deze voor de gehandicapte langdurig noodzakelijk is om belemmeringen op het gebied van het zelfstandig wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen die het gevolg zijn van diens handicap op te heffen of te verminderen.

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan een door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit:

1. een financiële tegemoetkoming voor:

a. de kosten van het gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi;

b. de aanschaf, aanpassing of het gebruik van de eigen auto;

c. de kosten van vervoer door derden;

d. de kosten van aanleg van een invalidenparkeerplaats;

e. begeleidingskosten;

f. oplaadkosten van de accu van een scootmobiel.

De gemeente Utrecht heeft voor de toepassing van deze bepalingen nader beleid geformuleerd in de Nota Uitvoering Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Nota). Ingevolge artikel 4.2 van de Nota kan een belanghebbende voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen, wanneer objectief aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, het gebruik van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellante in de periode in geding

- eindigend met het besluit op bezwaar van 21 september 2004 - naar objectieve medische maatstaven beoordeeld zodanig was beperkt in haar mobiliteit dat zij geen gebruik kon maken van het openbaar vervoer. De Raad heeft hierbij acht geslagen op de adviezen van het RIO van 9 januari 2004 en 19 augustus 2004, waarbij ook informatie uit de behandelend sector is betrokken. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College zijn besluitvorming niet had mogen baseren op vorengenoemde adviezen.

Uit de door appellante in hoger beroep op 12 oktober 2006 overgelegde informatie blijkt dat in ieder geval vanaf oktober 2006 bij appellante een medisch objectiveerbare aandoening is gediagnosticeerd waarbij - naar het zich laat aanzien - sprake is van toegenomen beperkingen. Het College heeft zich vervolgens - medisch onderbouwd -

op het standpunt gesteld dat deze ziekte recent is ontstaan. De Raad heeft appellante in de gelegenheid gesteld haar standpunt ter zake nader - medisch - te onderbouwen, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante in de periode in geding in relevante mate in haar mobiliteit was beperkt.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Gelet op de informatie uit Marokko merkt de Raad ten overvloede op dat er voor appellante zeker aanleiding is zich met een nieuw verzoek om een vervoersvoorziening tot het College te wenden.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) S.R. Bagga.

RB1812