Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2694 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2694 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 maart 2006, 05/1280 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Namens appellante is verschenen mr. F.T. I. Oey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als naaister in een gordijnenatelier, is voor dit werk op 29 mei 2001 uitgevallen wegens klachten aan haar linkerarm en -hand. Naar aanleiding van deze uitval heeft een verzekeringsarts appellante onderzocht en psychische en lichamelijke beperkingen aangenomen die zijn omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juli 2002. Met inachtneming van deze beperkingen is appellante na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid en is de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 15 juni 2001 vastgesteld op minder dan 15%. Als gangbare arbeid zijn haar onder meer de functies van telefonist/centralist, meteropnemer en telefonist/receptionist/typist voorgehouden.

Hierna heeft appellante zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op 16 september 2002 en 27 oktober 2003 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat er per respectievelijk 8 juli 2003 en 16 maart 2004 geen toename was van arbeidsongeschiktheid ten opzichte van haar arbeidsongeschiktheid op 15 juni 2001. Vervolgens heeft appellante zich ziek gemeld op 14 oktober 2004 wegens een gezichtsverlamming, pijnklachten in haar nek en beide schouders en een drukkend gevoel op de ogen. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellante op 22 december 2004 onderzocht door verzekeringsarts A. Wijsbek, die tot de conclusie komt dat er geen aanleiding bestaat tot het aannemen van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling.

Bij besluit van 23 december 2004 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij op

23 december 2004 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en daarom met ingang van 23 december 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

Het tegen het besluit van 23 december 2004 gerichte bezwaar van appellante is na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn bij besluit van 24 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank – onder meer – geen aanleiding te zien de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft ingewonnen bij de behandelend neuroloog U.J. Dijkstra. Blijkens deze informatie van 13 januari 2005 is voor de nek- en schouderklachten van appellante geen neurologische verklaring te vinden, terwijl de gezichtsverlamming goed is hersteld. De grief van appellante dat haar psychische klachten niet zijn opgenomen in de medische rapportages, kan volgens de rechtbank niet slagen nu deze klachten door het Uwv zijn meegewogen in eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en niet is gebleken dat de psychische klachten zijn toegenomen.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

De Raad stelt vast dat de in hoger beroep opgeworpen grieven ten aanzien van het ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem betrekking hebben op een onherroepelijk geworden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en derhalve geen doel kunnen treffen. Hetgeen door appellante voorts in hoger beroep zonder enige medische onderbouwing is aangevoerd, vormt goeddeels een herhaling van de door appellante in eerste aanleg opgeworpen, en door de rechtbank terecht verworpen, grieven. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante met ingang van 23 december 2004 in staat moet worden geacht om haar arbeid, zijnde ten minste één van de eerder genoemde functies, te verrichten en derhalve per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

TM