Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
06-2465 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde medische beperkingen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2465 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 maart 2006, 05/1076 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.H. Sanders, advocaat te Doetinchem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sanders. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontvangt sinds 18 maart 1994 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 15 oktober 2004 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts D.J.M. ten Holder. In het door Ten Holder op dezelfde dag uitgebrachte rapport is vermeld dat bij appellante sprake is van een status na een operatie in verband met een carpaal tunnelsyndroom. Hierbij is aangegeven dat appellante met name beperkingen ondervindt ten aanzien van het gebruik van haar (dominante) rechterhand en in mindere mate bij het gebruik van haar linkerhand. Ook is volgens de verzekeringsarts sprake van een beperkte beweeglijkheid van de nek en schouders. Voorts is door de verzekeringsarts melding gemaakt van psychische klachten, die ten opzichte van de vorige beoordeling waren verbeterd. Volgens de verzekeringsarts was er voornamelijk nog sprake van spanningsklachten en mogelijk van een zeer milde onderliggende depressie. De voor appellante aangenomen medische beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige A.S.M. Snellink functies geselecteerd met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem. Snellink heeft op 21 maart 2005 gerapporteerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op 25 tot 35%.

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout op 17 juni 2005 een rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat de medische beperkingen van appellante door de primaire verzekeringsarts juist zijn vastgesteld.

Bij besluit van 24 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellante niet onjuist zijn ingeschat. De rechtbank heeft voorts de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt geacht. Hierbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv pas in de beroepsfase de medische geschiktheid van deze functies voldoende heeft gemotiveerd. In verband hiermee heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtgevolgen van dit besluit heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

De primaire verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en is aanwezig geweest bij de hoorzitting. De Raad is van oordeel dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het hiervoor genoemde rapport van 17 juni 2005 aangegeven dat de primaire verzekeringsarts de door appellante ondervonden klachten en onderliggende oorzaken goed in kaart heeft gebracht en dat de opgestelde FML een juiste weergave vormt van de voor appellante geldende beperkingen. In eerste aanleg heeft appellante een brief ingebracht van de behandelend psychiater F. Kaya van 27 oktober 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 10 december 2005 uiteengezet dat deze brief de bevindingen van de primaire verzekeringsarts bevestigt en dat er geen reden is om de FML bij te stellen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding gezien om aan deze conclusie te twijfelen.

Aan de onderhavige schatting liggen functies ten grondslag binnen de sbc-codes 111172, 111160 en 111260. De geschiktheid van deze functies is naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt van 16 december 2005. Met betrekking tot de functie van medewerker terreindienst binnen sbc-code 111260 overweegt de Raad het volgende. In de FML zijn onder meer beperkingen opgenomen ten aanzien van hand- en vingergebruik. In dit verband is vermeld dat appellante niet of nauwelijks in staat is tot repetitieve hand- en vingerbewegingen, dat sprake is van minder kracht en dat ook lichte beperkingen gelden ten aanzien van de fijne motoriek. In het Resultaat Functiebeoordeling van de functie van medewerker terreindienst is bij aspect 4.3.6. vermeld dat wat betreft knijp- en grijpkracht sprake is van een bijzondere belasting, namelijk het, zowel links als rechts, pakken en voortduwen van een rij wagentjes. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 december 2005 is aangegeven dat bij het pakken en voortduwen van een winkelwagentje geen sprake is van krachtzetten/krachtsinspanning in knijp- en grijpkracht en dat gebruik kan worden gemaakt van een elektrisch karretje. De Raad acht deze toelichting voldoende. Hierbij overweegt de Raad dat de aanwezigheid van een elektrisch aangedreven karretje voldoende tegemoetkomt aan de beperkingen van appellante. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

TM