Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2837 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2837 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 april 2006, 04/2981 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pieters voornoemd en S. Sevük Ómür als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als rompenmaker toen hij in 1996 uitviel vanwege rugklachten. Nadien hebben zich ook psychische klachten ontwikkeld. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een heronderzoek heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht en psychische beperkingen aangenomen die zijn omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 juli 2003. Met inachtneming van deze beperkingen is appellant na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid, waarna zijn WAO-uitkering per 30 oktober 2003 is ingetrokken. Als gangbare arbeid zijn hem de functies van heftruckchauffeur, betonijzerwerker en productiemedewerker industrie voorgehouden. Sedertdien heeft appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 1 maart 2004 ziek gemeld wegens (dezelfde) psychische klachten. Appellant is op 29 april 2004 en 26 mei 2004 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Tijdens het spreekuur van 26 mei 2004 heeft de verzekeringsarts R. Weijers appellant meegedeeld dat hij met ingang van 26 mei 2004 weer in staat is om een van de destijds geschikt geachte WAO-functies te verrichten.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 26 mei 2004 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij per die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts

M. Carere onderschrijft in zijn rapport van 22 oktober 2004, na dossierstudie en het bijwonen van de hoorzitting, de conclusie van de verzekeringsarts. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts de in bezwaar overgelegde stukken van de huisarts en de behandelend psychiater meegewogen in zijn oordeel. Bij besluit van 28 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij betekenis toegekend aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

In hoger beroep stelt appellant zich - kort samengevat - op het standpunt dat hij vanwege zijn psychische klachten geen duurzame benutbare mogelijkheden heeft. In dit verband verwijst appellant naar de verklaring van de behandelend psychiater R.W. Jessurun van 20 september 2004. Deze acht hem vanwege zijn psychische klachten niet in staat tot het uitvoeren van gerichte taken. Appellant stelt dat de onderzoeken van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig zijn geweest. Appellant is van mening dat, gelet op zijn jarenlange historie met psychische klachten, er een nader onderzoek door een onafhankelijk psychiater had moeten plaatsvinden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van appellants aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de Ziektewet geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

De Raad heeft - evenals de rechtbank - geen redenen te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Daarbij wijst de Raad naar het rapport van verzekeringsarts Weijers, waaruit afdoende blijkt dat deze appellant heeft onderzocht. De verzekeringsarts stelt dat er geen reële kenmerken zijn van een stemmings of depressieve stoornis en ook geen andere aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Bij onderzoek blijkt geen enkele klacht, behoudens een kortdurende nierklacht die al even aspecifiek is als de rest van zijn klachten. De verzekeringsarts acht de medische situatie niet anders dan in het verleden bij de WAO-beoordeling is vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts Carere heeft appellants belastbaarheid in bezwaar opnieuw bezien en de conclusie van de verzekeringsarts Weijers onderschreven. Daarbij heeft hij de informatie van de huisarts C.J. Bakkum d.d. 27 augustus 2004 en psychiater R.W. Jessurun d.d. 20 september 2004 in een rapport van 22 oktober 2004 beoordeeld en gemotiveerd aangegeven waarom deze informatie geen aanleiding geeft om appellant verdergaand beperkt te achten.

De Raad is van oordeel dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven voor twijfel aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de beperkingen van appellant op de datum in geding (26 mei 2004) niet waren toegenomen ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep en ter zitting heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad dan ook geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL