Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-3231 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het ontslag kennelijk onredelijk omdat de oorzaak van de ongeschiktheid voor de eigen functie is gelegen in het onzorgvuldig handelen van het college?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3231 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 april 2006, 04/4789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.F.D. Keuning, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1 oktober 1977 werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (DSZW) van de gemeente ’s-Gravenhage. Sinds 1 januari 1979 was hij werkzaam als secretaris bezwaarschriften bij de afdeling bezwaar en beroep bij de DSZW. In 2000 heeft appellant de opdracht gekregen een deel van zijn werkzaam-heden niet meer uit te oefenen. De naam van de functie is toen gewijzigd in die van administratief medewerker bij de afdeling bezwaar en beroep.

1.2. Appellant heeft zich in februari 2001 ziek gemeld met psychische klachten ten-gevolge van de wijzigingen in zijn functie. De Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen heeft hem met ingang van 4 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Begin 2003 is appellant in het kader van zijn re-integratie tijdelijk geplaatst binnen de afdeling Personeelszaken en Opleidingen van de DSZW voor het verrichten van allerhande voorkomende werkzaam-heden. De aan de Arbo Unie verbonden arbeidsdeskundige P. Jonkman heeft een onderzoek ingesteld naar de re-integratiemogelijkheden van appellant bij zijn eigen werkgever en in een rapport van 16 oktober 2003 geconcludeerd dat appellant blijvend ongeschikt moet worden geacht voor zijn eigen functie. Deze arbeidsdeskundige achtte appellant wel in staat arbeid te verrichten in een administratieve functie. In eerste instantie achtte hij appellant belastbaar voor 20 uur per week, maar met een opbouw-schema was appellant volgens hem op termijn waarschijnlijk weer volledig belastbaar. Op 3 november 2003 heeft een aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verbonden arbeidsdeskundige een positief “functieongeschiktheidsadvies” afgegeven en daarbij opgemerkt dat appellant een restverdiencapaciteit voor 20 uur per week heeft.

1.3. Bij besluit van 19 mei 2004 heeft het college appellant met toepassing van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (AR) per 1 juni 2004 eervol ontslag verleend uit zijn functie van secretaris bezwaarschriften. Het college heeft bij dit besluit appellant tevens met ingang van 1 juni 2004 aangesteld in vaste dienst in de functie van administratief medewerker schuldhulpverlening bij de afdeling GKB van de DSZW. Bij het bestreden besluit van 30 september 2004 heeft het college de bezwaren van appellant tegen het ontslag en de functietoewijzing ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat sinds maart 2003 sprake was van ongeschiktheid voor de vervulling van de eigen betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden, dat geen zicht bestond op herstel van de ziekte binnen zes maanden, dat het college heeft voldaan aan zijn in artikel 7:9, eerste lid, van de AR neergelegde inspanningsverplichting en dat het college de functie van mede-werker schuldhulpverlening voor 20 uur per week aan appellant mocht opdragen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat vast staat dat appellant op de ontslag-datum gedurende 24 maanden wegens ziekte ongeschikt was voor de vervulling van zijn eigen betrekking. Tevens stelt dat de Raad vast dat het college terecht niet de verwachting had dat appellant binnen zes maanden daarna zijn eigen betrekking weer zou kunnen vervullen. De Raad kent hierbij doorslaggevende betekenis toe aan de toekenning van de WAO-uitkering per 4 maart 2002 en aan de in onderdeel 1.2. genoemde arbeidskundige stukken. Overigens heeft appellant niet betwist dat hij ongeschikt is en zal blijven voor zijn eigen functie.

3.1.2. Appellant meent wel dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat de oorzaak van de ongeschiktheid voor zijn eigen functie is gelegen in het onzorgvuldig handelen van het college. De Raad deelt deze zienswijze van appellant niet. Bij de vraag of het college een ambtenaar kan ontslaan wegens ziekte speelt de vraag naar de oorzaak van die ziekte namelijk in beginsel geen rol.

3.2. De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn stelling dat het ontslag prematuur is omdat uit het rapport van Jonkman de verwachting blijkt dat appellant op termijn weer volledig belastbaar is. Het in artikel 8:5, tweede lid, aanhef en onder b, van de AR, genoemde “herstel van zijn ziekte”, heeft slechts betrekking op het weer volledig kunnen vervullen van de eigen betrekking. Overigens speelt dit aspect wel een rol bij de vraag of het college appellant voor 20 uur mocht benoemen in een andere functie, op welk aspect de Raad in onderdeel 3.4. terugkomt. Gelet op voorgaande overwegingen treft de grief van appellant dat het college ten onrechte geen onderzoek naar de herstelverwachting heeft gedaan evenmin doel.

3.3. Onder verwijzing naar en met overneming van de overwegingen van de rechtbank over de wijze waarop het college vorm heeft gegeven aan zijn in artikel 7:9, eerste lid, van de AR opgenomen inspanningsverplichting om appellant te re-integreren, concludeert de Raad dat het college in dit geval aan die verplichting heeft voldaan.

3.4. Tot slot is de Raad van oordeel dat de aan appellant toegewezen functie van administratief medewerker schuldhulpverlening een voor appellant geschikte functie is. Dat deze functie in medisch opzicht te belastend zou zijn, is de Raad niet gebleken. Appellant vervult deze functie inmiddels ook al geruime tijd naar tevredenheid. Het feit dat aan deze functie schaal 6 is verbonden en aan de functie van secretaris bezwaar-schriften schaal 8 maakt evenmin dat deze functie niet geschikt is, nu gelet op artikel 7:9, eerste en derde lid, van de AR het college de ambtenaar na het eerste ziektejaar in gang-bare arbeid mag re-integreren. Ter zitting is komen vast te staan dat appellant weliswaar voor 20 uur is benoemd in de functie van administratief medewerker schuldhulp-verlening, maar dat het een voltijdsfunctie betreft, waarin voor de overige 16 uur geen ander is benoemd. Appellant had bij toename van zijn belastbaarheid om uitbreiding van de omvang van zijn aanstelling kunnen vragen, maar heeft dat om hem moverende reden achterwege gelaten.

3.5. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD