Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2992 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Ziektewet-uitkering omdat betrokkene niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2992 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 april 2006, 05/3787 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. van Kerkvoorden, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als tegelzetter via een uitzendbureau, toen hij op 3 april 2006 uitviel wegens maag/darmklachten. Nadien zijn rugklachten ontstaan door een val met de fiets. In het kader van deze ziekmelding heeft appellant op 20 juni 2005 het spreekuur van de verzekeringsarts N.A. Bayat bezocht. Deze arts heeft appellant lichamelijk onderzocht, waarna hij appellant per 21 juni 2006 hersteld verklaarde voor het eigen werk.

Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 juni 2006 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn komt na dossierstudie, hoorzitting/spreekuur en de ontvangen informatie van de huisarts van 10 augustus 2005 tot de conclusie dat er geen argumenten zijn om appellant ongeschikt te achten voor zijn laatst verrichte arbeid.

Bij besluit van 7 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juni 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

In hoger beroep stelt appellant zich - kort gezegd - op het standpunt dat zijn rugklachten dermate invaliderend zijn dat hij ongeschikt is voor zijn werk als tegelzetter. Deze werkzaamheden zijn volgens appellant te belastend. Daarbij legt appellant een nadere verklaring over van zijn huisarts van oktober 2006.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Appellants gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat in de bezwaarprocedure aan het Uwv is gevraagd een onafhankelijk rugspecialist te benoemen. Appellant is namelijk niet in staat om een partijdeskundige te betalen. Nu het Uwv nader onderzoek heeft geweigerd en daardoor het recht van appellant op een eerlijk proces heeft ontnomen, is de gemachtigde van appellant van mening dat het Uwv in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154 (EVRM), heeft gehandeld. De gemachtigde stelt verder dat indien ook de Raad geen deskundige benoemt appellant wederom geen eerlijk proces krijgt en dat dan ook door de Raad in strijd met artikel 6 EVRM wordt gehandeld.

Zoals de Raad in zijn uitspraken van 5 oktober 2001 (LJN: AD5247) en 18 juli 2007 (LJN: BB0078) heeft overwogen zal het van de omstandigheden van het geval afhangen of voor de beslechting van een medisch geschil kan worden volstaan met de rapportage van de verzekeringsartsen van gedaagde, al dan niet versterkt door het oordeel van de door dezen ingeschakelde externe deskundigen, of dat de rechter besluit tot het instellen van een nader onderzoek door een door hem aangewezen onafhankelijk medisch deskundige. Het zou naar het oordeel van de Raad echter te ver voeren om in het kader van artikel 6 EVRM te stellen dat bij achterwege blijven van een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige per definitie niet langer zou kunnen worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak. De Raad merkt daarbij op dat appellant in de procedure voor de bestuursrechter alle gelegenheid wordt geboden zich gemotiveerd - desgewenst onderbouwd met medische gegevens - te verzetten tegen het medisch oordeel van de tegenpartij, terwijl voorts niet valt in te zien dat deze partij zijn oordeel niet zou mogen baseren op de bevindingen van bij hem in dienst zijnde medische functionarissen.

De Raad is van oordeel dat een onderzoek door een onafhankelijk rugspecialist in het geval van appellant geen meerwaarde heeft. De Raad kent - evenals de rechtbank - doorslaggevende betekenis toe aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Appellant is zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht en deze verzekeringsartsen hebben bij lichamelijk onderzoek geen objectiveerbare bewegingsbeperkingen aan de rug geconstateerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft uit zorgvuldigheidsoverweging informatie opgevraagd bij de huisarts. Uit de verkregen informatie van de huisarts van 10 augustus 2005 en het daarbij gevoegde röntgenverslag van 29 augustus 2005 blijkt weliswaar dat er sprake is van degeneratieve afwijkingen, maar de bezwaarverzekeringsarts heeft bij haar onderzoek geen objectiveerbare afwijkingen geconstateerd op grond waarvan appellant arbeidsongeschikt is te achten. Appellant heeft geen, aanvullende, medische gegevens ingebracht die een ander licht werpen op zijn rugklachten. Derhalve was er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding nader medisch onderzoek te doen naar de rugklachten van appellant. In dit verband merkt de Raad op dat van de zijde van appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens, afkomstig van behandelende specialisten, zijn overgelegd die steun bieden aan een andersluidend oordeel, of die op zijn minst een zodanige twijfel oproepen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, dat het aangewezen zou zijn om alsnog het oordeel van een onafhankelijk medisch deskundige in te winnen.

De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en het Uwv derhalve op goede gronden heeft aangenomen dat appellant met ingang van 21 juni 2005 niet ongeschikt was zijn arbeid, in de zin van artikel 19 van de ZW, te verrichten. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL