Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-2151 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2151 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2006, 05/3810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als steigerbouwer toen hij op 24 augustus 1993 uitviel wegens diverse klachten. Bij einde wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 25 tot 35%. In het kader van een zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2004 aan appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende WAO-uitkering per 23 augustus 2004 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het daartegen gemaakt bezwaar is bij besluit van 7 juni 2005 gegrond verklaard, in die zin dat per 23 augustus 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid wordt herzien naar de klasse 45 tot 55%. Bij uitspraak van 23 augustus 2005 heeft de rechtbank het besluit van 7 juni 2005 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat de medische beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat het besluit berust op een ontoereikende arbeidskundige grondslag. Het Uwv heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De Raad heeft bij uitspraak van 31 augustus 2007, 05/5901 WAO, de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2005 vernietigd en het inleidend beroep tegen het besluit van 7 juni 2005 alsnog ongegrond verklaard. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in voldoende mate is aangetoond dat appellant in medisch opzicht geschikt is voor de functie van medewerker tuinbouw en dat deze terecht aan de schatting ten grondslag is gelegd.

Inmiddels was een nieuwe herbeoordeling gestart, die leidde tot het besluit van 24 februari 2005, waarbij de WAO-uitkering met ingang van 4 januari 2005 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit verklaarde het Uwv bij besluit van 20 juli 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat namens appellant geen medische informatie is overgelegd die betrekking heeft op de datum in geding en die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. De rechtbank is verder van oordeel dat genoegzaam is aangetoond dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant om te functioneren niet overschrijdt.

In hoger beroep handhaaft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde grieven. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt appellant stukken over van onder andere zijn huisarts en van het Havenziekenhuis.

De Raad oordeelt als volgt.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad zijn de onderzoeken van de verzekeringsarts A. de Cler d.d. 28 december 2004 en de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest leidend tot diens rapportage van 29 juni 2005, zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 28 december 2004 in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en de vastgestelde beperkingen van appellant. Appellant was ten tijde in geding niet onder behandeling voor zijn klachten en heeft zijn standpunt niet met medische gegevens onderbouwd die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de verzekeringsartsen. Dienaangaande merkt de Raad op dat de in hoger beroep overgelegde stukken geen betrekking hebben op de toestand van appellant op de datum in geding, te weten 4 januari 2005. De Raad onderschrijft in dit verband de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Van Geest, zoals vermeld in diens rapport van 6 maart 2007.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.R. Henninger d.d. 15 juli 2005 de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op zijn belastbaarheid, voldoende is gemotiveerd.

Ten aanzien van appellants grief dat pas in een later stadium aan hem kenbaar is gemaakt (na afgifte van het bestreden besluit) voor welke functies hij geschikt werd geacht en dat naar zijn oordeel om die reden zijn bezwaar gegrond had moeten worden verklaard, merkt de Raad het volgende op. In de aanzegbrief van 18 februari 2005 is aangegeven dat appellant geschikt is voor de functies van productiemedewerker industrie, medewerker tuinbouw en huishoudelijk medewerker gebouwen. De Raad merkt dienaangaande op dat de bezwaararbeidsdeskundige in bezwaar binnen de sbc-code 111010 (medewerker tuinbouw) twee functies van steksteeksters heeft bijgeduid en dat deze functies geheel in de lijn liggen van de (eerder) voorgehouden functies.

Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

JL