Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-4947 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens duurzaam verstoorde verhoudingen. Overschrijding redelijke termijn. Geen schadevergoeding nu daar niet om is verzocht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 211 met annotatie van A.M.L. Jansen
ABkort 2008/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4947 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juli 2006, 05/4865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.W.M. van Oorsouw, advocaat te ’s-Hertogenbosch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bijgstaan door mr. W.C.J. Ekelmans, werkzaam bij het parket

’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1 maart 1980 werkzaam bij het parket van het arrondissement ’s-Hertogenbosch, laatstelijk als administratief medewerkster centrale unit.

1.2. In het najaar van 1997 is van de zijde van de leiding van het parket aan appellante meegedeeld dat zij vanwege een wijziging in de organisatorische opzet van het parket per 1 januari 1998, niet in haar functie zou kunnen blijven werken. Voortaan zou het werk in teams worden verricht en omdat collega’s niet met haar in één team wilden werken, zou zij elders worden geplaatst. Volgens appellante kreeg zij niet te horen welke bezwaren die collega’s hadden.

1.3. Vervolgens zijn verwikkelingen ontstaan tussen appellante en haar chef, in welk kader appellante op een gegeven ogenblik te kennen heeft gegeven dat zij alleen nog in het bijzijn van een advocaat met haar chef wilde praten.

1.4. Bij besluit van 7 januari 1998 is aan appellante buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Daarbij is geconstateerd dat de arbeidsrelatie ernstig is verstoord en dat op korte termijn over een voorstel tot beëindiging van de arbeidsrelatie gesproken zou worden.

1.5. Vervolgens is bij brief van 23 januari 1998 aan appellante verzocht te kiezen tussen hetzij beëindiging van de arbeidsrelatie en, met behoud van een tijdelijke bezoldiging, zoeken naar een passende functie buiten het parket, hetzij voortzetting van de arbeidsrelatie maar dan met voortaan werken in teamverband. Naar aanleiding van de brief van 23 januari 1998 heeft appellante te kennen gegeven te kiezen voor beëindiging van de arbeidsrelatie onder een aantal voorwaarden, waaronder een terugkomgarantie. Daarop is op 1 april 1998 door de minister aan appellante bericht dat het wellicht mogelijk was gebruik te maken van een outplacementbureau in ’s-Hertogenbosch en dat appellante dan voor een bepaalde periode tewerkgesteld zou kunnen worden bij een andere (justitie-)organisatie. Daaraan is toegevoegd dat binnen deze constructie aan de door appellante gestelde voorwaarde betreffende de terugkomgarantie wordt voldaan.

1.6. De minister heeft bij besluit van 10 februari 2000 aan appellante met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2000. Daarbij is overwogen dat appellante ongeschikt wordt geacht voor haar functie en dat plaatsing in een andere functie niet mogelijk is gebleken. Dat ontslagbesluit is, na bezwaar, door de minister gehandhaafd bij beslissing van 19 december 2000. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 november 2002, 02/948, het beroep van appellante tegen het laatstgenoemde besluit ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 10 juni 2004, 02/6561, LJN AP2081 vernietigd met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de beslissing op bezwaar van 19 december 2000. Daarbij is onder meer overwogen dat het standpunt van de minister dat appellante voor haar functie ongeschikt is te achten, op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berust.

1.7. De minister heeft vervolgens bij besluit van 7 november 2005 (hierna: bestreden besluit) de grondslag voor het ontslag met toepassing van artikel 99 van het ARAR en met behoud van de oorspronkelijke ingangsdatum gewijzigd in duurzaam verstoorde verhoudingen. Daarbij heeft de minister aan appellante een uitkering toegekend als bedoeld in het tweede lid van het evengenoemde artikel.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de minister een terugkomgarantie heeft gegeven en dat de minister het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door pas anderhalf jaar na de uitspraak van de Raad van 10 juni 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voor het geval de Raad van oordeel mocht zijn dat er wel sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, wordt aangevoerd dat de oorspronkelijke ingangsdatum van het ontslag niet kan worden gehandhaafd.

3.2. De minister is van mening dat er ten tijde van de ingangsdatum van het ontslag geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat aan artikel 99 van het ARAR, voor zover hier van belang, toepassing kan worden gegeven indien een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet meer van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.2. De Raad constateert dat reeds uit bovenvermelde brief van 7 januari 1998 blijkt van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie, reden waarom aan appellante met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging is verleend, hetgeen door haar is geaccepteerd.

4.3. Bij zijn brief van 23 januari 1998 heeft de minister aan appellante verzocht een keuze te maken. Naar aanleiding van deze brief heeft appellante te kennen gegeven te kiezen voor beëindiging van de arbeidsrelatie onder een aantal voorwaarden. Appellante wilde, zoals ter zitting is bevestigd, elders opnieuw beginnen, omdat zij vanwege de problemen bij het parket geen mogelijkheden zag om daar te blijven werken.

4.4. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat in de periode van april 1998 tot eind 1999 diverse malen is geprobeerd met appellante afspraken van velerlei aard te maken met het oog op de begeleiding naar een functie buiten de parketorganisatie. Appellante heeft zich evenwel weinig coöperatief betoond. Zo zij al reageerde op de pogingen van de minister, geschiedde dit in de meeste gevallen pas na herhaald en langdurig aandringen. Appellante werkte aanvankelijk niet mee aan een medisch onderzoek, wilde niet het rapport van het mobiliteitsbureau aan de minister overleggen en voorts werden de vanwege de minister toegezonden vacatureoverzichten ongeopend geretourneerd.

4.5. Op grond van deze feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, is de Raad van oordeel dat er in dit geval reeds geruime tijd voor het ontslagbesluit van 10 februari 2000 kan worden gesproken van een impasse in de arbeidsverhouding die een voortzetting in de weg stond en dat deze impasse nadien is blijven voortduren.

4.6. Voorts stelt de Raad vast dat de minister bij zijn eerder genoemde brief van 23 januari 1998 appellante heeft verzocht te kiezen tussen beëindiging van de arbeidsrelatie of voortaan werken in teamverband binnen het parket ’s-Hertogenbosch. Naar aanleiding van deze brief heeft appellante aan de minister gevraagd te garanderen dat zij terug kon komen. Daarop heeft de minister bij brief van 1 april 1998 geantwoord dat hij bereid was appellante nog voor bepaalde tijd voor rekening van het parket ’s-Hertogenbosch bij een andere (justitie-)organisatie te werk te stellen, maar alleen als zij naar werk elders wilde gaan zoeken. De brief van 1 april 1998 heeft dus niet de strekking van een terugkomgarantie voor het geval dat appellante er niet in zou slagen ander werk te vinden.

4.7. De Raad wijst erop dat bij zijn uitspraak van 10 juni 2004 het primaire ontslagbesluit niet is vernietigd en aan de minister ruimte is gelaten om een nieuw ontslagbesluit op een andere grond te nemen. Voorts acht de Raad van belang dat aan het bestreden besluit in wezen hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als aan de oorspronkelijke ontslagverlening. Aan dit complex is slechts een andere juridische kwalificatie gegeven. Naar het oordeel van de Raad is het dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid te achten dat de minister bij het bestreden besluit de eerder bepaalde ingangsdatum van het ontslag heeft gehandhaafd.

4.8. Met betrekking tot de grief van appellante dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtszekerheid en het evenredigheidsbeginsel, nu zo lang is gewacht alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen, overweegt de Raad het volgende. De Raad gaat ervan uit dat appellante hier het oog heeft op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De redelijke termijn is gaan lopen - vergelijk CRvB 4 november 2005, LJN AU5643 - op het moment waarop betrokkene een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit van 10 februari 2000, te weten op 14 maart 2000. Vanaf laatstgenoemde datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim negen maanden verstreken. Gelet op de jurisprudentie (CRvB 8 december 2004, LJN AR7273) moet dit als een overschrijding van die termijn worden aangemerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de complexiteit van de zaak zelf, alsmede in de opstelling van appellante, slechts deels een rechtvaardiging voor de lange duur van de procedure kan worden gevonden.

4.9. De Raad stelt vast dat het aandeel van de minister in de procedure, te rekenen vanaf de indiening van de gronden van het bezwaar bij brief van 13 april 2000 tot de datum van de - door de Raad bij zijn uitspraak van 10 juni 2004 vernietigde - beslissing op bezwaar van 19 december 2000 en vanaf de datum van de evengenoemde uitspraak tot het bestreden besluit van 7 november 2005, in totaal twee jaar en ruim één maand bedraagt. Daarmee heeft de minister naar het oordeel van de Raad een onaanvaardbaar lange termijn genomen om zijn besluitvorming over de bezwaren van appellante af te ronden. Op deze wijze is appellante ervan afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. De bestuursrechter kan terzake met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek van een partij een schadevergoeding toekennen ten laste van het bestuursorgaan (CRvB 8 december 2004, LJN AR7273). Nu daarom in dit geval niet is verzocht, volstaat de Raad met de enkele vaststelling dat de termijn is overschreden.

5. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

03.01