Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-5027 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om de vakantiedagen om te zetten in ziektedagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5027 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2006, 05/672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Voor appellant is verschenen mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, die werkzaam is als hoofdmedewerker Basispolitiezorg, heeft zich op 9 februari 2004 ziek gemeld. Op 11 februari 2004 is hij naar Australië vertrokken voor vakantie. Hij heeft op 12 februari 2004 in Australië een arts bezocht. Deze arts heeft op diezelfde datum verklaard dat appellant gedurende de periode van 12 februari 2004 tot 27 februari 2004 niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Bij brief van 28 april 2004 heeft appellant verzocht het door hem over de periode van 11 februari 2004 tot 27 februari 2004 opgenomen verlof te vervangen door ziektedagen. Bij besluit van 17 mei 2004 is - voor zover hier van belang - dit verzoek afgewezen, welk besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 4 januari 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek de vakantiedagen aan te merken als ziektedagen, ongegrond verklaard. Appellant is in aanmerking gebracht voor vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat appellant het geschil in hoger beroep heeft beperkt tot de periode tussen 12 februari 2004 en 27 februari 2004, in welke periode appellant in Australië verbleef. De Raad onderkent dat appellant zich niet gehouden heeft aan de Uitvoeringsregeling ziekteverzuim Politie Rotterdam-Rijnmond door zonder toestemming van de korpsarts voor vakantie naar Australië te gaan terwijl hij zich twee dagen tevoren ziek had gemeld. In verband hiermee is appellant terecht op de datum van vertrek hersteld gemeld. Daarmee is echter geen antwoord gegeven op de vraag of appellant na aankomst in Australië en de dagen daarna ziek was.

De Raad stelt vervolgens vast dat in de Informant (Informatiegids voor de politie Rotterdam-Rijnmond) is bepaald dat ingeval van ziekte tijdens vakantieverblijf in het buitenland ziekmelding niet verplicht is voorgeschreven, maar wel een verklaring van een arts noodzakelijk is om achteraf vakantie-uren terug te krijgen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij tussen 12 februari 2004 en 27 februari 2004 ziek is geweest verwezen naar de hiervoor onder 1.1. genoemde verklaring van de Australische arts. Naar het oordeel van de Raad levert deze verklaring een begin van bewijs op voor zijn stelling. De Raad is van oordeel dat de korpsbeheerder deze verklaring niet op grond van het, bij brief van 17 januari 2006 nog nader toegelichte, advies van de bedrijfsarts terzijde heeft kunnen stellen. Voor zover deze bedrijfsarts in zijn advies te kennen heeft gegeven dat appellant, nu hij in staat is geweest een vliegreis naar Australië te maken, niet arbeidsongeschikt is geweest, zegt dit niets over appellants gezondheidstoestand na deze reis. Daarnaast stelt de bedrijfsarts geen oordeel te kunnen geven over de vraag of de verklaring van de Australische huisarts juist is. Het oordeel van de bedrijfsarts heeft derhalve geen betekenis voor de periode na aankomst in Australië. De korpsbeheerder heeft er verder wel terecht op gewezen dat in de verklaring gegevens omtrent het onderzoek en een medische onderbouwing ontbreken. Het had echter daarom op de weg van de korpsbeheerder gelegen via de bedrijfsarts nadere informatie hieromtrent bij de Australische arts op te vragen. Weliswaar geeft de bedrijfsarts in zijn brief van 17 januari 2006 aan dat hij informatie heeft opgevraagd en dat daarop niet is gereageerd, doch appellant heeft een brief van de Australische arts van 20 maart 2006 overgelegd, waarin deze verklaart geen verzoeken om informatie te hebben ontvangen. Nu de korpsbeheerder geen nadere inlichtingen heeft kunnen verstrekken omtrent de wijze waarop de informatie gevraagd is, noch daarvan enig bewijs heeft overgelegd, moet het ervoor worden gehouden dat geen informatie bij de behandelend Australische huisarts gevraagd is. Op deze gronden doet hetgeen door de bedrijfsarts naar voren is gebracht onvoldoende af aan de door appellant overgelegde medische verklaring.

3.2. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de korpsbeheerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terwijl zulks heeft geresulteerd in een besluit dat een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbeert. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. Het beroep van appellant, voor zover dit ziet op de afwijzing van zijn verzoek de vakantiedagen om te zetten in ziektedagen, dient gegrond te worden verklaard. De korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar met betrekking tot dit verzoek moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

4. De Raad ziet voorts aanleiding de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek de vakantiedagen om te zetten in ziektedagen gegrond;

Bepaalt dat de korpsbeheerder een nieuw besluit op bezwaar met betrekking tot dit verzoek neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt de korpsbeheerder tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,-, te betalen door de politieregio Rotterdam-Rijnmond;

Bepaalt dat die politieregio aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.A.M. Mollee en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.12