Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2838 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor het eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2838 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 maart 2006, 05/6680 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Theunissen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellante is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als receptioniste/telefoniste, meldde zich per 5 april 2004 ziek met pijnklachten aanvankelijk laag in de rug en later diffuus over het hele lichaam. Haar dienstverband is per 1 juli 2004 beëindigd. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellante verscheidene malen onderzocht door een verzekeringsarts die aanleiding heeft gezien om informatie op te vragen bij behandelend neuroloog J.F. Hallmann. Bij brief van 21 december 2004 deelt deze neuroloog de verzekeringsarts mee dat in neurologische zin geen afwijkingen vast te stellen zijn. In een bijgevoegd afschrift van een brief van 14 oktober 2004 gericht aan de huisarts van appellante stelt de neuroloog dat gezien de diffuse gewrichtsklachten van appellante hij haar heeft doorverwezen naar een reumatoloog. Bij het laatste onderzoek tijdens het spreekuur op 11 april 2005 heeft de verzekeringsarts, nadat deze de ingekomen informatie van de neuroloog heeft beoordeeld, appellante hersteld verklaard voor het laatst verrichte werk van receptioniste/telefoniste nu er geen medisch te objectiveren afwijkingen zijn gevonden.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 11 april 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en dat zij derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

In het kader van het door appellante tegen het besluit van 12 april 2005 gemaakte bezwaar heeft zij op 9 juni 2005 het spreekuur bezocht van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Na lichamelijk en psychisch onderzoek en bestudering van de reeds in het dossier aanwezige informatie, waaronder recente inlichtingen van de huisarts van appellante, heeft deze geconcludeerd dat de medische onderbouwing van het primaire besluit geheel kan worden gehandhaafd.

Bij besluit van 16 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder):

“De rechtbank is op grond van de ter beschikking staande stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat de verzekeringsartsen alle beschikbare informatie bij hun beoordeling hebben betrokken, waaronder de informatie van de huisarts van eiseres, de neuroloog, en de Cesartherapeute. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts ook zelf informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts kunnen afzien van het opvragen van nadere informatie bij de reumatoloog, nu deze, naar eiseres ook zelf heeft bevestigd, geen tot zijn specialisme behorende afwijkingen bij eiseres heeft kunnen constateren. Een bevestiging hiervan door de reumatoloog zelf zou voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling geen toegevoegde waarde hebben gehad. Aan de stelling van de Cesartherapeute dat gelet op de klachten van eiseres volledige werkhervatting niet mogelijk is, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin doorslaggevende betekenis toekomen, nu de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres ingevolge het Schattingsbesluit uitsluitend aan de verzekeringsarts is voorbehouden.”

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende. Het enkele feit dat uit de brief van de behandelend neuroloog aan de huisarts van appellante van 14 oktober 2004 kan worden afgeleid dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgemerkte adequate handdruk niet relevant is voor de medische beoordeling, kan naar het oordeel van de Raad niet van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij tekent de Raad aan dat naast de opmerking dat de door appellante aangegeven minimale kracht niet past bij de druk bij het handgeven, vele andere factoren een rol hebben gespeeld bij het onderzoek van appellante. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 augustus 2005 geeft blijk van een breder lichamelijk onderzoek dan door de gemachtigde van appellante wordt verondersteld. Nu appellante in beroep en hoger beroep voorts geen nadere medische informatie heeft overgelegd op basis waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht haar functie van receptioniste/telefoniste te verrichten en met ingang van 11 april 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

MK