Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2928 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2928 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 mei 2006, 05/729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Partijen zijn met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving tot 17 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 30 januari 2004 heeft het Uwv zijn besluit van 22 april 2003 waarbij de WAO-uitkering met ingang van 17 juni 2003 is ingetrokken, gehandhaafd. Bij uitspraak van 17 november 2004 heeft de rechtbank Groningen het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 30 januari 2004 ongegrond verklaard. Die uitspraak heeft de Raad bij zijn uitspraak van

15 december 2006 bevestigd. De Raad overwoog daartoe dat het Uwv voldoende inzichtelijk had gemaakt om welke redenen appellante geschikt was te achten voor de functies telefoniste-receptioniste, inpakster banket en kassamedewerkster.

Appellante ontving daarna een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Zij heeft zich vanuit die situatie op 9 juli 2004 met lichamelijke en psychische klachten ziek gemeld. Op 18 februari 2005 heeft de verzekeringsarts haar onderzocht en vastgesteld dat zij was hersteld tot het niveau bij de laatste WAO-beoordeling. Als hersteldatum is

25 februari 2005 aangegeven. Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij met ingang van 25 februari 2005 geen recht (meer) had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat zij toen niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 9 mei 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van de stukken, waaronder het WAO-dossier en een na de hoorzitting ingezonden brief van de behandelend neuroloog van 24 maart 2005, dat er geen aanwijzingen waren dat de gezondheidstoestand van appellante wezenlijk anders was dan ten tijde van de laatste WAO-beoordeling en achtte de informatie vanuit de behandelend sector duidelijk en in lijn met de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank stelt voorop dat appellante in beroep geen medische stukken in geding heeft gebracht die de rechtbank zouden moeten doen twijfelen aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat appellante per 25 februari 2005 niet méér beperkt kan worden geacht dan zij bij de WAO-beoordeling was. Appellante moet dan ook in staat worden geacht per 25 februari 2005 de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. De rechtbank laat in het midden in hoeverre betekenis toekomt aan de door appellante opgeworpen vraag of de functies nog voldoende actueel waren op die datum, nu de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat sprake is van gangbare functies die nog altijd voorkomen op de arbeidsmarkt.

In hoger beroep bestrijdt appellante dat zij op de datum in geding 25 februari 2005 niet méér beperkt zou zijn dan in 2003 in het kader van de WAO-beoordeling is vastgesteld. Zij verwijst naar eerdergenoemd rapport van de behandelend neuroloog, waaruit blijkt dat zij wel degelijk klachten heeft. Met betrekking tot gangbaar werk stelt appellante zich op het standpunt dat inzichtelijk moet worden gemaakt dat de functies waarvoor zij geschikt is verklaard nog op de arbeidsmarkt bestaan.

De Raad stelt vast dat appellante ook in hoger beroep haar standpunt dat zij per 25 februari 2005 méér beperkingen had dan bij de WAO-beoordeling, niet met medische gegevens heeft onderbouwd. De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank terzake. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een WAO-uitkering in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. De Raad verwijst voorts naar zijn uitspraken van 6 augustus 2002 (LJN: AF1507) en van 6 juli 2005 (LJN: AT9105) waarin de Raad heeft blijk gegeven van zijn opvatting dat in gevallen als het onderhavige geen ruimte wordt gezien als eis te stellen dat middels actualisering wordt aangetoond dat de in het verleden geselecteerde functies nog bestaan ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

JL