Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
06-3227 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering vanwege geschiktheid eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3227 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 april 2006, 05/1061 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was voorheen werkzaam als medewerkster cafetaria. Zij ontving sedert 12 november 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft zij zich op 12 december 2004 ziek gemeld met klachten na een val van een paard. De verzekeringsarts heeft haar laatstelijk op het spreekuur van 14 april 2005 onderzocht. Appellante maakte toen nog melding van pijn in het been en de rug. Zij had geen baat gehad bij behandeling door een osteopaat. De verzekeringsarts trof bij onderzoek geen objectieve afwijkingen aan en stelde een forse discrepantie vast tussen subjectieve klachtenbeleving en objectieve bevindingen. Appellante werd weer in staat geacht haar eigen werk te verrichten.

Bij besluit van 14 april 2005 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij met ingang van 15 april 2005 geen recht (meer) had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat zij toen niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. In bezwaar heeft appellante diverse klachten beschreven en een brief van haar behandelend osteopaat overgelegd. Bij besluit van 25 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank geen aanleiding te zien de conclusie van het Uwv dat appellante niet ongeschikt is als rechtstreeks en objectief vastgesteld gevolg van ziekte of gebrek voor onjuist te houden. De rechtbank achtte het niet onzorgvuldig dat de verzekeringsarts geen informatie van de behandelend artsen had opgevraagd, nu ten tijde van zijn onderzoek nog slechts sprake was van een verwijzing door de huisarts naar een orthopeed en een neuroloog. Ook had appellante geen gevolg gegeven aan een uitnodiging van de rechtbank om nadere medische informatie over te leggen.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet met de nodige zorgvuldigheid is verricht en dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen inlichtingen hebben ingewonnen bij haar behandelend artsen. Zij houdt staande dat zij haar eigen vroegere werk op 15 april 2005 niet kon verrichten in verband met klachten van haar linkerbeen en rug.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die haar standpunt ondersteunt. De op 23 oktober 2007 ingezonden brief van de huisarts van 26 juni 2007 betreft niet de toestand van appellante op de datum in geding 15 april 2005. Zijn opmerking dat hij zich kan voorstellen dat appellante met haar vele klachten niet in staat was tot het verrichten van arbeid op 15 april 2005 is niet met enig medisch gegeven onderbouwd. Ook de daarbij gevoegde brieven van de behandelend neuroloog en orthopedisch chirurgen bevatten geen medische gegevens over de toestand van appellante op de datum in geding, terwijl zij bovendien geen (duidelijke) afwijkingen op het desbetreffende vakgebied vermelden. De brief van de behandelend revalidatiearts rapporteert over een onderzoek van ver na de datum in geding waarbij aspecifieke chronische rugklachten werden vastgesteld. De Raad onderschrijft voor het overige het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op respectievelijk het beroepschrift en het hoger beroepschrift. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat appellante ten onrechte per 15 april 2005 hersteld is verklaard.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

JL