Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-2565 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van genomen besluit inzake de Ziektewet. Geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2565 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2006, 05/4024 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Voor appellant is verschenen mr. Voogt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 april 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant terzake van zijn ziekmelding op 29 maart 2004 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen omdat de maximale uitkeringstermijn van 52 weken op 8 maart 2004 was verstreken en appellant wegens dezelfde ziekteklachten arbeidsongeschikt was gebleven voor zijn werk. Dat besluit is onherroepelijk geworden. Bij brief van 17 januari 2005 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 29 april 2004. Bij besluit van

9 februari 2005 heeft het Uwv appellant bericht geen mogelijkheid te zien om terug te komen van het eerder genomen besluit, nu appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Appellant heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangevoerd, nu de stukken waarop appellant zich beroept afkomstig zijn van het Uwv en dateren van vóór 29 april 2004. Uit de stukken blijkt voorts dat zich bij appellant geen misverstand heeft kunnen voordoen over het verstrijken van de termijn van 52 weken. De verzekeringsarts heeft met appellant op

26 april 2004 besproken dat de hersteldverklaring per 1 maart 2004 ten onrechte was geaccepteerd. Op 4 mei 2004 heeft een medewerker van het Uwv appellant telefonisch bericht dat, nu de maximale termijn van 52 weken ziekengeld was volgemaakt, zijn aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering alsnog in behandeling zou worden genomen, hetgeen overigens heeft geleid tot een afwijzende beslissing.

Nu appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd, was het Uwv bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 29 april 2004. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met regels van geschreven of ongeschreven recht dan wel algemene rechtsbeginselen. Dat het Uwv enkele aan het besluit van 29 april 2004 voorafgaande besluiten naderhand niet in overeenstemming heeft gebracht met dat besluit, is, naar van de zijde van het Uwv is erkend, een nalatigheid. Die kan evenwel in de onderhavige zaak niet tot een ander oordeel leiden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

MH