Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-5184 AW en 06-5858 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5184 AW en 06/5858 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juli 2006, 05/4670 en 06/3268 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur Hulpverlening Gelderland Midden (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant schriftelijk is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 novenber 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door mr. M.H.G.T. van Wagenberg, werkzaam bij Hulpverlening Gelderland Midden (hierna: HGM).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was tot 1 januari 2002 werkzaam in de functie van medewerker interne zaken bij GGD West-Veluwe/Vallei. Na de fusie met Hulpverlening Arnhem en omstreken, waarbij HGM werd opgericht, is appellant bij besluit van 31 januari 2002 op grond van het principe “mens volgt functie” met ingang van 1 januari 2002 in dezelfde functie aangesteld bij HGM. Appellant werd ingeschaald op niveau 5, periodiek 10.

1.2. In het kader van de fusie zijn organisatiebreed de nieuwe functies beschreven en gewaardeerd. Daarbij is het functiewaarderingssysteem VBalans gehanteerd. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 17 december 2004 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2002 werd ingepast in de functie van medewerker technisch beheer (schaalniveau 5). Dit besluit is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 4 oktober 2005. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het dagelijks bestuur laatstgenoemd besluit vanwege een bevoegdheidsgebrek vervangen door een nieuw besluit op bezwaar van 12 juni 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij de bezwaren opnieuw ongegrond zijn verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Daarbij is in het bijzonder de juistheid van de nieuwe functiebeschrijving in geschil; zoals appellant ter zitting van de rechtbank heeft bevestigd wordt de waardering door hem slechts betwist in samenhang met de beschrijving.

3.1. Alvorens genoemde vraag te beantwoorden zal de Raad eerst ingaan op een punt van formele aard. Het dagelijks bestuur heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellant heeft berust in het besluit van 31 januari 2002, waarbij hij geplaatst is in de functie van medewerker interne zaken, zodat ook zijn hoger beroep inzake de nieuwe functiebeschrijving medewerker technisch beheer niet kan slagen, nu de bij die functie behorende taken grotendeels overeenkomen met de taken zoals opgenomen in de oude functiebeschrijving medewerker interne zaken.

De Raad kan het dagelijks bestuur niet volgen in dit standpunt. Het gaat hier immers om twee naar inhoud en rechtsgevolgen geheel verschillende besluiten, waartegen volgens het geldende stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming afzonderlijk bezwaar en beroep kon worden ingesteld. De mogelijkheid van bezwaar is ook vermeld aan het slot van de beide besluiten. In het besluit van 17 december 2004 is zelfs afzonderlijk aangegeven dat (ook) bezwaar tegen de nieuwe functiebeschrijving kan worden ingesteld.

3.2. Terugkerend naar het geschilpunt over de juistheid van de functiebeschrijving stelt de Raad, evenals de rechtbank, voorop dat het hier gaat om een organiek systeem van functiewaardering, waarin de zwaarte van organieke functies wordt gewogen in samen-hang met de totale organisatieopbouw. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8) komt daarom bij het vaststellen van de functiebeschrijving aan het dagelijks bestuur beleidsvrijheid toe. Anders dan bij een zogenoemde mens-functiebeschrijving gaat het hier niet om de beschrijving van de feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden, maar om de door het dagelijks bestuur aan de betrokken functionaris opgedragen werkzaamheden, gegeven de inrichting van de organisatie zoals die het dagelijks bestuur voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijving met terughoudendheid moet plaatsvinden.

3.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat de functiebeschrijving medewerker technisch beheer zeer onvolledig is. Deze nieuwe functiebeschrijving is enkel op basis van de vroegere, onvolledige en daarom onjuiste, functiebeschrijving medewerker interne zaken tot stand gekomen. In deze laatste functiebeschrijving ontbreekt het coördineren van het technisch beheer en van verbouwingen, dat volgens appellant toentertijd tot zijn feitelijke werkzaamheden behoorde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een aantal e-mailberichten overgelegd, waaruit zou blijken dat hij een coördinerende rol vervulde op deze terreinen.

Het dagelijks bestuur stelt daar tegenover dat genoemde coördinerende taken nooit aan appellant zijn opgedragen, en dat deze dus terecht niet in de functiebeschrijving voorkomen. Dat appellant vóór de fusie een aanzienlijke vrijheid werd gelaten om zaken praktisch te “regelen” betekent nog niet dat hem daarmee een coördinerende rol toekwam. Dat zijn wijze van taakvervulling werd gewaardeerd betekent nog niet dat dat ook in hogere functiewaardering tot uitdrukking zou moeten komen.

3.4. De Raad heeft in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanleiding gevonden om de voor diens functie gehanteerde functiebeschrijving in rechte onhoudbaar te achten. Appellant heeft ook de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de beschrijving van de hoofdtaken in zijn functie niet toereikend is als basis voor de waardering. De Raad volgt het dagelijks bestuur in zijn verweer, dat - ook uit de door appellant geproduceerde e-mailberichten - niet blijkt dat appellant met coördinerende taken was belast, in de zin dat hij zelf verantwoordelijk was voor het bij elkaar doen aansluiten van werkzaamheden van eigen medewerkers en externen, voor het toezicht op de kwaliteit daarvan, of dat hij zelf beslissingen nam over de inkoop en over het technisch beheer van de gebouwen. Die verantwoordelijkheden behoren in het nieuwe organieke functiestelsel bij de functie van coördinator technisch beheer en inkoop; vóór de fusie was in hoofdzaak het afdelingshoofd hiervoor verantwoordelijk.

Uit bedoelde e-mailberichten kan wèl worden afgeleid dat appellant een - niet onbelangrijke - regelende rol speelde bij de toegang en de beveiliging van het gebouw en het beheer van de inventaris, bij het aanvragen en doorgeleiden van daarmee verband houdende offertes en bij het beoordelen en zo nodig naar de directeur doorgeleiden van aanvragen voor verbouwingen. Deze taakonderdelen zijn echter, ook naar het oordeel van de Raad, alle te herleiden tot de in geding zijnde functiebeschrijving medewerker technisch beheer.

3.5. Ten slotte is de Raad noch uit het door appellant ingezonden stuk getiteld “Evaluatie en aanbevelingen functiewaarderingstraject”, noch uit hetgeen anderszins is aangevoerd gebleken dat het dagelijks bestuur jegens appellant heeft gehandeld in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht dan wel algemene rechtsbeginselen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

09.12