Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
05-2215 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het Uwv bij het toekennen van een WAO-uitkering aan de werkneemster ten onrechte afgezien van het opleggen van een maatregel?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 25
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 28
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/58 met annotatie van Wit
RSV 2008/51
ABkort 2008/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2215 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 maart 2005, 04/1316 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.C.W. Geffroy, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door H.W. van de Beek, directeur, bijgestaan door mr. Geffroy.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 26 januari 2004 heeft het Uwv aan [naam werkneemster], een werkneemster van appellante (hierna: de werkneemster), met ingang van

30 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 4 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft daarbij, samengevat, aangevoerd dat de werkneemster ten onrechte in het geheel niet heeft meegewerkt aan het re-integratietraject en dat om die reden de WAO-aanvraag moet worden afgewezen. Subsidiair heeft appellante het bestreden besluit op medische gronden betwist.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, daartoe overwegend dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat de werkneemster per einde wachttijd, 29 december 2003, geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor het verrichten van werk had. Hieraan lag ten grondslag dat de werkneemster van mei 2003 tot november 2003 drie dagen per week en daarna tot februari 2004 twee dagen per week een dagbehandeling volgde, en op de overige dagen ontspanning noodzakelijk was. De rechtbank merkte hierbij op dat voor de (medische) beoordeling op het moment van einde wachttijd niet van belang is of de werkneemster zich in eerste instantie al dan niet situatief arbeidsongeschikt heeft gemeld.

Het betoog dat de werkneemster niet in aanmerking zou moeten komen voor een WAO-uitkering omdat zij in het geheel niet heeft meegewerkt aan het re-integratietraject, heeft de rechtbank opgevat als een beroep op artikel 28, aanhef en onder f en h, van de WAO. Hierin is volgens de rechtbank kort gezegd bepaald dat een aanvraag om een WAO-uitkering wordt afgewezen als deze aanvraag niet vergezeld gaat van een re-integratieverslag zoals bedoeld in artikel 71a, derde lid, van de WAO of als de werknemer zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen het er over eens zijn dat de werkneemster slechts minimale re-integratie-inspanningen heeft verricht, maar was van oordeel dat de werkneemster hiervoor een deugdelijke grond had. De rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts J.N.H. Verheijen hierover in zijn rapport van 28 april 2004 heeft overwogen en het feit dat de werkneemster van

mei tot november 2003 drie dagen in de week en later twee dagen in de week therapie volgde.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de werkneemster zonder deugdelijke grond niet heeft voldaan aan haar wettelijke re-integratieverplichtingen, in het bijzonder door ondanks herhaalde pogingen van appellante niet mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak en een re-integratieverslag. Volgens appellante was de werkneemster daartoe wel degelijk in staat. Gelet hierop had het Uwv de werkneemster een WAO-uitkering moeten weigeren. Ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij niet langer opkomt tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster per einde wachttijd.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 25 van de WAO bepaalt, kort gezegd, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigert, indien degene die een WAO-uitkering aanvraagt of ontvangt, heeft geweigerd aan een aantal in dit artikel genoemde verplichtingen te voldoen.

In artikel 28, eerste lid, aanhef en onder h, van de WAO is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 handelt indien, onder meer, bij de behandeling van de WAO-aanvraag blijkt dat de belanghebbende zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de WAO wordt een maatregel als bedoeld in artikel 25 of 28 afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden, en wordt in elk geval van het opleggen van een maatregel afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Op grond van artikel 29, vijfde lid, stelt het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen hierover nadere regels vast. Ten tijde hier van belang waren deze regels neergelegd in het Maatregelenbesluit Tica. Hierin waren de in artikel 28, onderdeel h, van de WAO genoemde verplichtingen aangemerkt als verplichtingen in de vierde categorie, ten vijfde, van het Maatregelenbesluit. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit bedragen de hoogte en duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van deze verplichtingen: 20% gedurende 16 weken. Op grond van artikel 6, tweede lid, van het Maatregelenbesluit bedraagt de hoogte van de maatregel 10% indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft.

Gelet hierop staat ter beoordeling of het Uwv bij het toekennen van een WAO-uitkering aan de werkneemster ten onrechte heeft afgezien van het opleggen van een maatregel als hierboven vermeld.

In het bestreden besluit heeft het Uwv hierover gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts van mening is dat werkneemster op medische gronden tijdens de wachttijd beperkt inzetbaar was voor het re-integratietraject, waardoor haar op dit punt niets valt te verwijten. Blijkens voornoemd rapport van 28 april 2004 is dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in de eerste plaats gebaseerd op zijn opvatting dat de werkneemster vanaf mei 2003 geen duurzaam benutbare mogelijkheden had in verband met het volgen van een dagbehandeling op drie dagen per week, terwijl op de andere dagen ontspanning was vereist. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat de psychische kwetsbaarheid van de werkneemster haar beperkte inzet voor het re-integratietraject verklaart.

De Raad acht op zichzelf niet uitgesloten dat een intensieve behandeling – ook al vindt die behandeling niet elke dag plaats – een zodanig beslag legt op de tijd en energie van de betrokkene, dat er geen resterende mogelijkheden meer zijn om arbeid te verrichten. In een dergelijke situatie mag echter van het Uwv worden verlangd dat hiernaar een zorgvuldig onderzoek wordt verricht en dat de beslissing om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen deugdelijk wordt gemotiveerd. Dit geldt temeer in een situatie waarin een derde, in dit geval de werkgever, belang heeft bij een beslissing over de WAO-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv niet aan de eisen van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering voldaan. De beslissing om gedurende de tijd dat de werkneemster een dagbehandeling volgde geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen, is blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts uitsluitend gebaseerd op verklaringen van de werkneemster en een rapport van de klinisch psycholoog M.J.O. van Asma van De Gelderse Roos. Dit rapport bevat echter slechts een samenvatting en een conclusie naar aanleiding van een bij de werkneemster afgenomen persoonlijkheidsonderzoek, maar bevat geen informatie over de behandeling. Een zorgvuldig onderzoek zou naar het oordeel van de Raad met zich hebben gebracht dat de (bezwaar)verzekeringsarts zich door de behandelaar(s) van De Gelderse Roos van nadere details hierover op de hoogte had laten stellen, zoals de inhoud van de behandeling, de precieze omvang daarvan en de periode waarover de behandeling zich naar verwachting zou gaan uitstrekken. Ook had bij de behandelaar(s) moeten worden gevraagd naar de gevolgen van de behandeling voor het functioneren van de werkneemster op de andere dagen van de week. De aanname van de bezwaarverzekeringsarts dat de werkneemster op die dagen moest ontspannen en derhalve niet kon meewerken aan enige vorm van re-integratie, acht de Raad zonder nadere informatie hierover van de zijde van De Gelderse Roos onvoldoende gemotiveerd. De Raad merkt in dit verband op dat de bedrijfsarts van de arbodienst blijkens een voortgangsverslag van 29 augustus 2003, dat is opgesteld na een gesprek met de werkneemster op 27 augustus 2003, van mening was dat de werkneemster inmiddels weer zover was hersteld dat zij in staat zou zijn om weer een start op het werk te maken. De bedrijfsarts heeft dit in een brief van 28 augustus 2003 aan de werkneemster meegedeeld en haar met klem geadviseerd om met de werkgever een plan van aanpak op te stellen. Ook in het licht van deze informatie vergt de stelling van het Uwv dat het de werkneemster vanwege de dagbehandeling en/of haar kwetsbare psychische toestand niet te verwijten viel dat zij niet meewerkte aan het re-integratietraject, een nadere motivering.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit leidt er toe dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 687,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL