Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-4556 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvolledige uitbetaling bezoldiging van rechter tijdens ziekte.

Wetsverwijzingen
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4556 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant]

en

het Bestuur van de rechtbank Breda (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van 23 juni 2006, kenmerk PR-DBV06/252 (hierna: bestreden besluit), waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van het bestuur tot beperking van appellants bezoldiging ongegrond is verklaard.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Appellant is in persoon verschenen en het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voorzitter mr. M.M. Steenbeek.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is, met een korte onderbreking, vanaf 28 februari 2005 wegens ziekte ongeschikt geweest tot het verrichten van zijn arbeid als rechter. Op grond van artikel 17 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Brra) zoals dat tot 1 april 2006 luidde, werd de bezoldiging van appellant volledig doorbetaald. Toen de ongeschiktheid nog gedeeltelijk voortduurde op en na 1 april 2006 heeft het bestuur bij besluit van 10 april 2006, dat aan appellant is bekendgemaakt op 24 april 2006, de doorbetaling van de bezoldiging van appellant met ingang van 1 april 2006 over de niet gewerkte uren beperkt tot 70%.

2. Het bestuur heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen die beperking ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Hij volgt appellant niet in zijn betoog dat hij als het ware een absolute aanspraak had verkregen op volledige doorbetaling van de bezoldiging gedurende het tijdvak van 26 weken van ziekte dat (op 26 maart 2006) - na een tijdvak van 52 weken - een aanvang had genomen, voordat met ingang van 1 april 2006 de tekst van het tweede lid van artikel 17 van het Brra ingevolge het koninklijk besluit van 15 februari 2006, Stb. 80, is gewijzigd. Van de tot 1 april 2006 geldende tekst van artikel 17 van het Brra kan niet worden gezegd dat die een zo ver gaande strekking had als door appellant bedoeld. Weliswaar worden daar de tijdvakken van achtereenvolgens 52 en 26 weken genoemd gedurende welke doorbetaling van de volle bezoldiging plaatsvond, maar niet is bepaald dat daarop, wanneer een van die tijdvakken is ingegaan, altijd aanspraak zal blijven bestaan, ongeacht een latere wijziging van het desbetreffende artikel. De regelgever heeft in beginsel de ruimte om voor de toekomst een wijziging in de regelgeving tot stand te brengen die ertoe strekt minder rechten toe te kennen dan voorheen het geval was. Van een ongeoorloofde wijziging van de spelregels tijdens de wedstrijd, zoals door appellant is gesteld, is dan ook geen sprake.

De dwingendrechtelijke bepaling van de nieuwe tekst van artikel 17 liet het bestuur geen ruimte om daaraan geen toepassing te geven en het bestuur kan daarom niet het verwijt worden gemaakt dat het zich, door de nieuwe bepaling toe te passen, niet heeft gedragen als een goed werkgever.

3.2. Dit zou anders kunnen zijn, zoals door appellant terecht is aangevoerd, indien van de gewijzigde regeling gezegd zou moeten worden dat die buiten toepassing zou moeten worden gelaten wegens aan de totstandkoming of inhoud daarvan klevende ernstige feilen.

Daarvan is hier echter naar het oordeel van de Raad geen sprake. De nieuwe regeling van artikel 17 is niet onzorgvuldig tot stand gekomen. De regelgever heeft de wijziging heel bewust aangebracht als onderdeel van een pakket van maatregelen, zoals blijkt uit de nota van toelichting en uit het feit dat hij voor een geval als hier aan de orde niet en voor bepaalde andere gevallen wel bepalingen van overgangsrecht heeft gegeven. Het koninklijk besluit van 15 februari 2006 behelst de formalisering van verschillende onderdelen van het in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht tussen de minister van Justitie en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR) gesloten Arbeidsvoorwaardenakkoord sector Rechterlijke Macht 2004. Voorts is ook de enkele omstandigheid dat sprake is van een aanzienlijke inkomensachteruitgang niet aan te merken als een ernstig feilen.

3.3. Meer subsidiair heeft appellant aangevoerd dat in ieder geval over de maand april 2006 nog recht bestaat op de volle bezoldiging. Van de beperking van zijn bezoldiging tot 70% is hij immers eerst officieel op de hoogte gebracht door middel van het hem op

24 april 2006 bekendgemaakte besluit daartoe. Het bestuur heeft verzuimd gevolg te geven aan het advies van de Raad voor de rechtspraak van 14 maart 2006 om rechterlijke ambtenaren die per 1 april 2006 zouden worden geconfronteerd met de gevolgen van de wijziging van de regeling, vóór die datum alvast te informeren.

Ook deze grief treft geen doel. In de eerste plaats kon appellant immers (geacht worden) op de hoogte (te) zijn van de wijziging van artikel 17 van het Brra omdat die wijziging is bekendgemaakt in Staatsblad 2006, 80. Voorts was, zoals appellant in zijn bezwaarschrift heeft opgemerkt, het besluit voor hem geen verrassing, omdat hij uit de berichtgeving van de NVvR voorafgaande aan de officiële publicatie, al had begrepen dat ingrijpende wijzigingen in het Brra met betrekking tot de loondoorbetalingsregelingen bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte doorgevoerd zouden worden.

4. De Raad komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.A.M. Mollee en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q.