Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
05-2024 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2024 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2005, 04/2707

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Glas, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen voor nader onderzoek.

Bij besluit van 20 september 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 9 november 2003 wordt ingetrokken.

Het door appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

28 september 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Bij het in rubriek I vermelde nadere besluit van 20 september 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 9 november 2003 niet langer te handhaven. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2003 dan ook alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 9 november 2003 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. Hierdoor kan het besluit van 14 oktober 2003 geacht worden te zijn ingetrokken.

Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel komt te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad stelt vast dat door appellante een dergelijk verzoek niet is gedaan. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat appellante nog een belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.

Voorts stelt de Raad vast dat het besluit van het Uwv van 20 september 2007 geheel tegemoet komt aan het hoger beroep van appellante tegen het bestreden besluit, zodat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dit beroep niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Nu er tussen partijen thans geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Ten slotte ziet de Raad, nu het Uwv het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd, op grond van artikel 8:75 van de Awb aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 19,16 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 1.307,16.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.307,16 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en

R.P.T.H. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

CVG