Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-5208 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontoelaatbaar gedrag tijdens dienstreis. Strafontslag.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5208 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juli 2006, 06/1819 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker Produktgroep Militair Toezicht. In het kader van het project Nieuw Dagelijkse Tenue (hierna: NDT) van de Koninklijke Landmacht (hierna: KL), heeft appellant in de functie van militair toezichthouder in februari en mei 2003 met een aantal collega’s deelgenomen aan twee dienstreizen naar Bangladesh. De heer [C.] (hierna: C), werkzaam bij een leverancier van dienstkleding uit België, maakte ook deel uit van deze delegatie. In Bangladesh is de delegatie onder meer begeleid door de heer [H.] (hierna: H), directeur van een fabriek in Bangladesh waar nieuw aan te schaffen dienstkleding zou worden gefabriceerd. Die fabriek is ook door het gezelschap bezocht. Vanaf juli 2003 is appellant niet meer betrokken bij het project NDT.

1.2. In augustus 2003 heeft ing. L.M. de Beer, projectmanager NDT, van C en H vernomen dat appellant tijdens voornoemde dienstreizen gedrag heeft vertoond dat door hem volstrekt ontoelaatbaar wordt geacht. Dit heeft ertoe geleid dat een Commissie van Onderzoek is ingesteld om onderzoek te verrichten naar vermeend wangedrag van appellant. De deelnemers aan de dienstreizen zijn in dat kader gehoord en de Commissie van Onderzoek heeft in een rapport van 5 november 2003 geconcludeerd dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

De staatssecretaris heeft appellant bij brief van 19 november 2003 meegedeeld voornemens te zijn hem disciplinair te straffen met ontslag omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daarbij is appellant tot nader order de toegang tot de dienstlokalen, de dienstgebouwen en het werk ontzegd. Nadat appellant ter zake van dit voornemen was gehoord, heeft er een nader feitenonderzoek plaatsgevonden. In dat verband zijn H en C telefonisch gehoord op respectievelijk 14 en 22 januari 2004, waarvan woordelijke gespreksverslagen zijn opgemaakt.

1.3. Bij besluit van 6 april 2004 heeft de staatssecretaris appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim per 1 mei 2004 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het bezwaar van appellant is bij het thans bestreden besluit van 28 oktober 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat, afgezien van één gedraging, op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens is komen vast te staan dat appellant zich schuldig gemaakt heeft aan de hem verweten gedragingen, dat die gedragingen ieder op zich als plichtsverzuim zijn aan te merken en dat de staatssecretaris appellant terecht strafontslag heeft verleend.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het verweten plichtsverzuim voornamelijk berust op de verklaringen van H en C. De verklaring van C berust voor een groot deel op hetgeen hij van H heeft vernomen en de verklaring van H is niet ondertekend. Nu deze verklaringen niet door ander bewijs worden ondersteund, had de rechtbank volgens appellant niet de conclusie mogen trekken dat appellant terecht is ontslagen. Appellant acht het onbegrijpelijk dat aan dergelijke verklaringen meer waarde wordt gehecht dan aan zijn eigen verklaringen, te meer nu die verklaringen tot zeer ernstige gevolgen voor hem leiden. Appellant heeft voorts gesteld dat H en C belang hadden bij het ontslag van appellant omdat hij tijdens de dienstreizen het onderwerp kinderarbeid aan de orde had gesteld. En ook al was appellant niet meer werkzaam voor het project, dit betekende niet dat hij daar geen enkele invloed meer op kon uitoefenen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1.1. Ingevolge artikel 99, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (hierna: Bard), zoals dat luidde ten tijde in geding, omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van het Bard, zoals dat luidde ten tijde in geding en zoals thans verwoord in artikel 70f, is het de ambtenaar in zijn ambt verboden, anders dan met goedvinden van het bevoegd gezag, vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.

4.1.2. Op grond van punt 2 van de Aanwijzing Integriteitsbescherming A/872 van 25 september 2001 van de Secretaris-Generaal van het ministerie van Defensie (hierna: Aanwijzing) wordt onder integriteit verstaan het naar eer en geweten en in overeen-stemming met geldende regels, normen en waarden handelen of nalaten. In punt 3 van de Aanwijzing is omschreven dat onder aantasting van de integriteit in ieder geval wordt begrepen oneigenlijk gebruik van bevoegdheden, ongewenst gedrag en voorts elk ander handelen of nalaten waardoor de naam van Defensie in diskrediet kan worden gebracht. Ingevolge punt 16 van de Aanwijzing mag een geschenk dat in het zakelijke verkeer wordt aangeboden en uit hoffelijkheid niet kan worden geweigerd, indien de winkel-waarde niet meer bedraagt dan f. 50,-, door de ontvanger in eigendom worden behouden, in andere gevallen bepaalt het diensthoofd de bestemming.

4.2. Het plichtsverzuim dat de staatssecretaris aan het strafontslag ten grondslag heeft gelegd en dat thans nog onderwerp van geschil vormt, bestaat uit de volgende gedragingen:

1. tijdens dienstreizen naar Bangladesh

a. het aan een contactpartner van de KL verzoeken om (jonge) meisjes;

b. het aannemen van kleding van een contractpartner van de KL (twee shirts, broeken, ondergoed);

c. het aannemen van een cadeau van een contractpartner van de KL in de vorm van een nieuwe broek;

d. het aannemen van een nieuwe bril van een contractpartner van de KL;

e. het aannemen van een cadeau van een contractpartner van de KL in de vorm van een houten olifant;

f. het aannemen van lunches en diners van een contractpartner van de KL en het voorts declareren van voorgewende kosten;

2. het maken van een persoonlijke afspraak met een medewerkster van C om na de zakelijke besprekingen gezamenlijk iets te gaan drinken.

4.3. Ingevolge vaste jurisprudentie (CRvB 14 oktober 1999, LJN AA4696 en TAR 1999, 155) geldt voor het bewijs van plichtsverzuim dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.4. Voor zover de staatssecretaris zich in het onderhavige geschil heeft gebaseerd op de verklaringen van H en C, overweegt de Raad dat deze verklaringen consistent zijn en geen discrepantie vertonen met hetgeen door de overige delegatieleden over de gebeurtenissen tijdens de dienstreizen is verklaard. Voorts twijfelt de Raad er niet aan dat het woordelijke verslag, ondanks het ontbreken van ondertekening door H, een nauwgezette weergave is van hetgeen H telefonisch in het bijzijn van drie Defensiemedewerkers heeft verklaard. Voorts valt niet in te zien dat H en C belang hadden bij het in een kwaad daglicht stellen van appellant, omdat appellant zijn vermoeden van kinderarbeid in de fabriek had laten blijken. De Raad merkt op dat H dienaangaande heeft verklaard dat het onderwerp kinderarbeid inderdaad met de delegatie is besproken, maar dat hij zich niet kan herinneren of H dit onderwerp aan de orde heeft gesteld, dan wel een ander delegatielid.

4.5. Ten aanzien van het vragen van appellant naar (jonge) meisjes (ad 4.2.1a), staat het voor de Raad op grond van de verklaring van H voldoende vast dat appellant tijdens de twee bezoeken aan Bangladesh op meerdere momenten het gespreksonderwerp meisjes (girls) en vrouwen (women) heeft aangesneden. Volgens H heeft appellant hierover niet gesproken in verband met het onderwerp kinderarbeid. H heeft dit opgevat als een vraag van appellant naar gezelschapsmeisjes of -vrouwen om in zijn hotelkamer te ontvangen en hij heeft appellant vervolgens verwezen naar de hotelconciërge. De Raad acht op grond van de gedingstukken onvoldoende aannemelijk dat appellant in dit kader ook zou hebben gesproken over jonge meisjes (young girls). De Raad is met de staatssecretaris van oordeel dat appellant door het op dergelijke wijze ter sprake brengen van vrouwen en meisjes bij een zakelijke partner, aan zijn integriteit en onafhankelijkheid ernstige schade heeft toegebracht en zijn contractpartner op onaanvaardbare wijze in verlegenheid heeft gebracht, ten gevolge waarvan het aanzien van de KL ernstig is beschadigd. De staatssecretaris heeft dit gedrag naar het oordeel van de Raad op goede gronden aangemerkt als plichtsverzuim.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de goederen genoemd onder 4.2.1b t/m 1e door H aan appellant zijn verstrekt. Volgens de verklaring van H heeft appellant deze goederen niet vergoed. Met betrekking tot de verschillende goederen overweegt de Raad als volgt.

De kleding die appellant van H heeft gekregen nadat zijn koffer bij aankomst in Bangladesh was vermist (1b), had appellant niet mogen aannemen zonder een vergoeding voor de kleding aan te bieden.

Enkele dagen later is op verzoek van appellant nog een broek (1c) aangeschaft omdat hij zo tevreden was met de voor hem aangeschafte kleding. Ofschoon H bij voorbaat had gezegd dat appellant daarvoor niet behoefde te betalen, had appellant dit kledingstuk naar het oordeel van de Raad niet - zonder betaling - mogen accepteren.

De bril (1d) is, nadat eerst een oogmeting had plaatsgevonden, bij het afhalen door H betaald. Ook hiervan heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij H heeft terugbetaald of heeft aangeboden te betalen. Hoewel H heeft verklaard hieraan geen aanstoot te hebben genomen en hij de bril heeft beschouwd als een klein cadeau, heeft H ook verklaard dat het niet gebruikelijk is om voor gasten te betalen.

Tot slot heeft H, toen hij de delegatieleden bij het afscheid een presentje aanbood waarbij gekozen kon worden uit uitgestalde artikelen op een tafel, op speciale wens van appellant een houten olifantje laten aanschaffen (1e). Gebleken is dat de delegatieleden met elkaar hadden afgesproken dat alleen kleine cadeautjes, niet zijnde ivoor, gekozen zouden worden. Zodoende had ook appellant genoegen moeten nemen met één van de gepresenteerde giften. Het vragen van appellant om een ander presentje is dan ook in strijd te achten met hetgeen een goed ambtenaar onder gelijke omstandigheden behoort te doen.

4.7. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant zich door het verzoeken om en/of aannemen van de goederen vermeld onder 4.2.1b tot en met 1e niet heeft gedragen overeenkomstig het bepaalde in artikel 83 van het Bard en het bepaalde in de Aanwijzing. Voorts betroffen het geen giften die appellant uit hoffelijkheid niet kon weigeren aan te nemen, zodat ook aan de Aanwijzing geen grond kan worden ontleend voor rechtvaardiging van het aannemen van de giften.

4.8. De kosten van door de bezochte bedrijven aangeboden zakelijke lunches en diners (4.2.1f) zijn ook door de andere delegatieleden ten onrechte gedeclareerd. Deze handelwijze is zonder meer aan te merken als plichtsverzuim. De omstandigheid dat de overige delegatieleden slechts zijn berispt voor dit gedrag, neemt niet weg dat de staatssecretaris deze gedraging van appellant heeft mogen meenemen in het geheel van verwijtbare gedragingen dat aan appellant als plichtsverzuim ten laste is gelegd.

4.9. Tijdens een bezoek aan C in België heeft appellant een bij de zakelijke gesprekken aanwezige medewerkster van C benaderd voor een afspraak in de privésfeer en tezamen zijn zij ’s avonds op stap gegaan. C heeft verklaard zich te hebben gestoord aan dit gedrag van appellant, ondanks het feit dat hij zijn medewerkster op haar verzoek toestemming had verleend om met appellant uit te gaan. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende afstand heeft gehouden ten opzichte van een medewerkster van een contractpartner van de KL. De staatssecretaris heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het aanzien van de KL hierdoor is geschaad en appellant zich niet heeft gedragen zoals van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

4.10. Met inachtneming van het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant zijn onafhankelijkheid als militair toezichthouder op onaanvaardbare wijze in gevaar heeft gebracht. De staatssecretaris heeft op goede gronden overwogen dat ernstige schade is toegebracht aan het vertrouwen dat hij moet kunnen hebben in de integriteit van een functionaris als appellant. De staatssecretaris heeft zich naar het oordeel van de Raad met recht op het standpunt gesteld dat het belang van appellant, het lange dienstverband daarbij inachtnemend, minder zwaar weegt dan het belang van het handhaven van de integriteit van de organisatie.

5. De Raad acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A.A.M. Mollee en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

20.12

Q