Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
06-5907 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5907 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2006, 05/4473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer

A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 24 november 2004 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat eiser niet binnen de daarvoor gegeven termijn bewijsstukken van zijn arbeidsverleden in Nederland heeft overgelegd. Tegen dit besluit is bij brief van 19 april 2005, ontvangen op 29 april 2005, bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 juli 2005 heeft verweerder eiser verzocht om binnen vier weken de redenen aan te geven voor zijn te laat ingediende bezwaarschrift. Bij brief van 10 augustus 2005, ontvangen op 22 augustus 2005, heeft eiser geantwoord dat hij het besluit van 24 november 2004 pas laat heeft ontvangen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser niet binnen vier weken heeft aangegeven waarom hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Dit betekent dat verweerder er van uitgaat dat eiser geen goede reden heeft voor het te laat indienen van het bezwaar.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij de brief van 15 juli 2005 niet heeft ontvangen en daarom niet heeft gereageerd.

In het verweerschrift heeft verweerder nog aangevoerd dat eiser in zijn brief van 10 augustus 2005 een reactie heeft gegeven op de brief van verweerder van 15 juli 2005. Hierin geeft hij aan dat hij het besluit van 24 november 2004 laat heeft ontvangen. Eiser heeft noch bewezen, noch aannemelijk gemaakt dat hij een verschoonbare reden had voor het niet tijdig indienen van zijn bezwaarschrift, aldus verweerder.”

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het eind van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In het onderhavige geval is het bezwaarschrift van 19 april 2005 te laat ingediend tegen het besluit van 24 november 2004.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Op grond van hetgeen door eiser is aangevoerd kan niet worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiser noch heeft aangetoond noch heeft aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde reden had voor het niet tijdig indienen van zijn bezwaarschrift. Zo heeft hij op geen enkele wijze aangegeven dan wel stukken overgelegd waaruit blijkt op welke datum hij het besluit van 24 november 2004 dan wel heeft ontvangen.”

De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat, in vergelijking met appellants stellingnames in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

IJ191107