Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
06-4730 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Onaangekondigd huisbezoek. Juiste feitelijke grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4730 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2006, 05/7170 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. Biemond. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.

Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken per 1 juli 2004. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken per 1 maart 2004. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 augustus 2005. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 1 maart 2005 is appellante per 17 januari 2005 weer bijstand toegekend.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 25 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Nu appellante het besluit van 16 augustus 2004 niet heeft aangevochten moet worden vastgesteld dat hier slechts in geding is de periode van 1 maart 2004 tot 1 juli 2004.

Aan appellante wordt verweten dat zij op 16 maart 2004 en 5, 13, 16 en 23 april 2004 al dan niet met bericht van verhindering geen gehoor heeft gegeven aan oproepen voor een gesprek bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (hierna: sociale dienst) en bij Werkkompas. Voorts is het niet gelukt om op 16 april 2004 en op 19 mei 2004 een onaangekondigd huisbezoek bij appellante af te leggen, omdat de deur niet werd geopend. Deze feiten en omstandigheden zijn niet betwist.

Appellante heeft op 24 april 2004 een inkomstenformulier ingevuld en is vervolgens verschenen op 11 mei 2004 voor een heronderzoekgesprek, waarbij blijkens het registratieformulier is afgesproken dat appellante zou overleggen een bankafschrift na volgnummer 4 en een bewijs van inschrijving bij het CWI. Uit het rapportageformulier van 2 februari 2005 blijkt dat appellante het bewijs van inschrijving heeft ingeleverd op 10 juni 2004. Op 2 augustus 2004 heeft appellante voorts nog een loonstrook ingeleverd waaruit naar voren komt dat zij in juni 2004 gedurende één week werkzaamheden heeft verricht waaruit inkomsten zijn verworven. Dit wordt bevestigd door het bankafschrift met volgnummer 5, gedateerd 9 juli 2004, dat volgens de - niet weersproken - verklaring van de gemachtigde van appellante bij de rechtbank, werd ingeleverd op 29 juli 2005.

Hoewel het College op grond van het vorenstaande kan worden toegegeven dat appellante aanvankelijk niet alert heeft gereageerd op de oproepen van de sociale dienst en Werkkompas, moet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting ook worden geconcludeerd dat appellante uiteindelijk op gesprek is verschenen en heeft voldaan aan het verzoek om met name genoemde gegevens te overleggen. Dat nog andere gegevens werden verlangd is niet gebleken. Integendeel, op de verschillende verzoeken van de raadsman van appellante in januari 2005 om aan te geven welke gegevens nog nodig werden geacht, is zijdens het College niet gereageerd dan met het nemen van het primaire besluit. Nu een verslag van het gesprek van 11 mei 2004 ontbreekt is de conclusie dat appellante geen afdoende verklaring heeft kunnen geven voor haar eerder verzuim misplaatst. Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat niet (meer) kan worden gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting het recht op bijstand van appellante ten tijde van belang niet langer was vast te stellen.

Voor zover namens het College ter zitting nog is verklaard dat wordt betwijfeld of appellante ten tijde in geding op het door haar opgegeven adres woonachtig was, merkt de Raad op dat deze mededeling niet strookt met het standpunt dat op dat punt blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank eerder is ingenomen. Voorts heeft de Raad in de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen gevonden die deze twijfel kunnen rechtvaardigen. Het feit dat appellante niet opendeed bij de voorgenomen onaangekondigde huisbezoeken is daarvoor bepaald onvoldoende.

Het vorenstaande betekent dat het besluit tot intrekking van de bijstand berust op een onvoldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2005 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 7 februari 2005 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en dit niet alsnog kan worden geheeld.

De Raad zal het College voorts veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 augustus 2005;

Herroept het besluit van 7 februari 2005;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

IJ