Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
07-1564 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om terug te komen van intrekking uitkering TW. Verklaringen van burgerlijke stand omtrent verblijfplaats echtgenote en het gestelde omtrent psychische toestand kunnen niet als novum worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1564 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2007 (06/1782)

in het geding tussen appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft van verweer gediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is sedert 1 oktober 1976 in het genot van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast is aan hem per 1 januari 1987 een (gezins)toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend, na zijn huwelijk met [H.].

Op de aan het Uwv toegezonden inlichtingenformulieren is door appellant steeds aangegeven dat hij gehuwd is en op hetzelfde adres woont als zijn echtgenote. Op het inlichtingenformulier gedagtekend 16 december 2004 heeft appellant aangegeven dat hij gescheiden leeft van zijn echtgenote. Appellant is die dag bezocht door een tweetal medewerkers van het Interventieteam Buitenland van het directoraat Fraude Preventie en Opsporing van het Uwv. In de door appellant naar aanleiding van dit bezoek opgestelde en ondertekende verklaring geeft appellant aan dat zijn echtgenote in februari 2001 definitief bij hem is weggegaan. Het huwelijk is nog niet ontbonden, maar appellant is daar wel mee bezig. Sinds genoemde datum is appellant alleenstaand. Appellant verklaarde verder dat hij zijn vrouw nog wel ondersteunde en dat hij haar bezocht. Op het inlichtingenformulier gedagtekend 24 januari 2005 verklaart appellant wederom dat hij en zijn echtgenote niet op hetzelfde adres wonen.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de TW per 1 februari 2001 op nihil gesteld. Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 15.509,93 aan onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd. Bij besluit van 9 februari 2005 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van € 1551,--. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brief van 18 oktober 2005 is namens appellant verzocht om terug te komen van de besluiten van 7, 8 en 9 februari 2005. Verzocht wordt verder om de toeslag weer betaalbaar te stellen. Aangegeven wordt dat het onmiskenbaar onjuist is dat er vanaf 1 februari 2001 geen sprake meer zou zijn van samenwonen. De echtgenote van appellant kampt met ernstige psychische problemen. Zij gevoelt de behoefte er af en toe uit te vliegen (naar haar dochter in Engeland). Dat gebeurt jaarlijks gedurende korte perioden. Er is echter geen sprake van dat appellants echtgenote haar woonadres in Spanje bij appellant zou hebben opgegeven. Daar staat zij ook ingeschreven blijkens de gegevens van de gemeente.

Bij besluit van 1 november 2005 is het verzoek om terug te komen van de besluiten van 7, 8 en 9 februari 2005 afgewezen. Aangegeven wordt dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.

In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Overgelegd wordt een verklaring van de gemeente van 15 november 2005 waaruit blijkt dat appellante en zijn echtgenote op hetzelfde adres staan ingeschreven. Bij brief van 29 maart 2006 is door de gemachtigde verklaard dat blijkens een hem onder ogen gekomen werkproces in geval van ME/CVS bij een verzoek om terug te komen van een eerder besluit het criterium ‘evidente fout’ nog steeds een rol speelt.

Bij besluit van 8 juni 2006, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat de overgelegde informatie met betrekking tot de woonplaats van de echtgenote, nu die dateert van na het bestreden besluit van 1 november 2005, niet als nieuwe informatie kan worden beschouwd die een herziening van de intrekking van de toeslag rechtvaardigt. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij een nog te nemen primair besluit de toeslag per 15 november 2005 zal worden hersteld.

In beroep is namens appellant een verklaring van de gemeente overgelegd waaruit naar voren komt dat appellant sinds 1996 met zijn echtgenote op hetzelfde adres woonachtig is. Door het Uwv is opgemerkt dat het namens appellant in het geding gebrachte werkproces enkel ziet op verzoeken om terug te komen van besluiten met betrekking tot arbeidsongeschiktheid door ME/CVS. Daaraan wordt toegevoegd dat er absoluut geen sprake is van een geval waarin een evident onjuist besluit is genomen. Gewezen wordt op de eigen verklaring van appellant van 16 december 2004.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de (in bezwaar) overgelegde verklaringen van de burgerlijke stand wel bij de beoordeling betrokken kunnen worden nu deze verklaringen dienen ter ondersteuning van het (reeds in primo) door appellant gestelde dat appellant en zijn echtgenote in de periode hier in geding op hetzelfde adres woonden. In het licht van de eigen verklaring van appellant van 16 december 2004 kunnen deze verklaringen echter niet tot herziening van de besluiten van 7, 8 en 9 februari 2005 leiden. De rechtbank concludeert dat het Uwv bevoegd was om onder toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek af te wijzen en voor de motivering te volstaan met verwijzing naar de genoemde besluiten van februari 2005. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

In hoger beroep hebben partijen hun eerder in de procedure naar voren gebrachte standpunten in essentie herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat noch de verklaringen van de burgerlijke stand aangaande de woon- en verblijfplaats van de echtgenote van appellante noch het gestelde omtrent haar psychische toestand als novum kunnen worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hadden immers door appellant ingebracht kunnen worden in de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 7, 8 en 9 februari 2005. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het Uwv - analoog aan het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb - kon volstaan met een verwijzing naar deze eerdere besluiten ter motivering van de afwijzing van het verzoek om terug te komen van deze besluiten. De Raad voegt hieraan toe dat gesteld noch gebleken is dat door het Uwv, buiten het kader van besluiten omtrent arbeidsongeschiktheid door ME/CVS, ten tijde hier in geding een beleid werd gevoerd waarbij bij verzoeken om terug te komen van een besluit betekenis werd toegekend aan de evidente onjuistheid van dat besluit.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

IJ