Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
05-5411 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Is de schatting gebaseerd op een voldoende zorgvuldig en inzichtelijk medisch onderzoek?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/80
JIN 2008/217
JIN 2008/157
USZ 2008/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5411 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juli 2005, 03/1168 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

met tevens als partij:

[Werknemer].

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van De Nesse, advocaat te IJsselstein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft [naam werknemer] (hierna: de werknemer) de Raad doen weten niet als partij aan dit geding te willen deelnemen en daarbij de Raad geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van De Nesse en bij haar directeur [naam directeur]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

De werknemer is op 18 mei 1998 als voeger in dienst getreden bij appellante. In verband met zijn verslaving aan diverse verdovende middelen, is hij op 14 januari 2002 klinisch opgenomen. Nadien heeft hij geen werkzaamheden voor appellante meer verricht. Op 8 oktober 2002 is de werknemer medisch onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Omdat de werknemer toen in dagbehandeling was en deze behandeling pas begin 2003 geleidelijk zou worden afgebouwd, werd geconcludeerd dat er ten aanzien van de werknemer geen sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden, hetgeen leidde tot een besluit van 12 november 2002 waarbij aan de werknemer per 13 januari 2003 een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% werd toegekend.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In het kader daarvan heeft appellante door tussenkomst van een arts-gemachtigde een aantal medische grieven tegen de toekenning aangevoerd. De werknemer is vervolgens op 6 maart 2003 onderzocht op het spreekuur van een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts. Daarbij bleek deze arts dat de werknemer nog voltijds in behandeling was. Deze concludeerde op 11 april 2003, nadat hij had kennisgenomen van de stellingen van de namens appellante optredende arts-gemachtigde, dat door de eerdere verzekeringsarts terecht was vastgesteld dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden bij de werknemer aanwezig waren. Dit leidde tot het thans bestreden besluit van 14 april 2003 waarbij het bezwaar van appellante ongegrond werd verklaard en het besluit om de werknemer per 13 januari 2003 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toe te kennen werd gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In beroep heeft appellante zich wederom laten bijstaan door de arts-gemachtigde en in wezen haar reeds ten aanzien van het primaire besluit ingebrachte grieven herhaald.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen, werkzaam voor het Uwv, voldoende zorgvuldig is geweest en dat zij een juist medisch oordeel hebben gegeven.

De stellingen van appellante in hoger beroep vormen een herhaling van hetgeen reeds eerder door appellante werd betoogd. Allereerst is appellante van mening dat een verslaving geen ziekte is en dat reeds om die reden geen WAO-uitkering kan worden toegekend. Appellante is voorts van mening dat in dit geval de artikelen 18, tweede lid, of 30, eerste lid, van de WAO van toepassing zijn en dat om die reden de WAO-uitkering zou moeten worden geweigerd. Ten aanzien van het medisch onderzoek stelt appellante dat dit onvoldoende zorgvuldig is geweest. Betwijfeld wordt of de verslaving per einde wachttijd wel zodanig was dat er sprake was van een arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Daarbij wordt er op gewezen dat niet duidelijk is gemaakt welke functioneringsproblemen er zijn of welke relatie er is met de arbeidshandicaps. Tevens is gesteld dat het enkele tonen van een medicatieoverzicht door de werknemer tijdens het medisch onderzoek bij het Uwv, onvoldoende is om de beperkingen aan te nemen zoals die door het Uwv zijn aangenomen. In verband daarmee heeft appellante gesteld dat de werknemer in de periode in geding in het uitgaansleven van Breda werd gesignaleerd en dat hij zich derhalve aan de behandeling onttrok. In dat verband is er ook over geklaagd dat het Uwv geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelende sector.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat bij de werknemer sprake is van het niet duurzaam beschikken over benutbare mogelijkheden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad wijst er allereerst op dat een verslaving aan verdovende middelen op zich niet als een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18 van de WAO wordt aangemerkt. Indien echter uit die verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat er wel sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18. In zoverre heeft het Uwv de dagbehandeling van de werknemer in casu terecht als ziekte of gebrek aangemerkt.

De Raad is echter met appellante van oordeel dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de beperkingen die voortvloeiden uit de behandeling. De door het Uwv gegeven onderbouwing voor het aannemen van geen duurzaam benutbare mogelijkheden op de datum in geding volgt naar het oordeel van de Raad niet zonder meer uit de stukken. Zoals ook door appellante gesteld, is het enkele overleggen van een medicatie-overzicht daarvoor in casu niet voldoende. Daar komt bij dat appellante ook, zij het summier, gemotiveerd heeft aangegeven waarom aan de verklaring van de werknemer over het volgen van de behandeling werd getwijfeld. Het Uwv had de bij appellante gerezen twijfel eenvoudig kunnen wegnemen door bij de behandelende sector, en dan met name bij de behandelende instelling voor verslavingszorg, informatie op te vragen en bijvoorbeeld aan de hand van het behandelplan en voortgangsrapportages inzage kunnen verkrijgen in de ernst en omvang van de ondervonden beperkingen. De informatie had het Uwv vervolgens kunnen aanwenden voor een nadere onderbouwing van het ingenomen standpunt. De Raad onderkent daarbij dat de onderbouwing die appellante heeft gegeven bij de twijfels bij de therapietrouw en het gedrag van de werknemer zeer summier is, maar juist in het licht van het voorgaande, had het op de weg van het Uwv gelegen om die twijfels meer gemotiveerd dan thans te weerleggen. Daarbij dient bedacht te worden dat het Uwv, veel meer dan appellante, ook indien deze, zoals in een geval als het onderhavige, wordt bijgestaan door een arts-gemachtigde, in de gelegenheid is om de benodigde informatie te vergaren, ook al omdat de werknemer op geen enkel moment in de procedure te kennen heeft gegeven dat appellante inzage kon hebben in de op hem betrekking hebbende medische stukken. De Raad wijst er daarbij nog op dat ook de rechtbank een nagenoeg gelijkluidende redenering in de aangevallen uitspraak heeft neergelegd, maar daaraan vervolgens de daaruit niet volgende conclusie heeft getrokken dat het bestreden besluit in stand kon blijven.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv zal derhalve alsnog, en met inachtneming van het voorgaande, een voldoende zorgvuldig en inzichtelijk medisch onderzoek naar de beperkingen van de werknemer dienen te verrichten. In de nieuwe beslissing op bezwaar zal het Uwv tevens dienen te reageren op de stellingen van appellante ten aanzien van de toepassing van de artikelen 18, tweede lid, en 30, eerste lid, van de WAO.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Voor een vergoeding van die kosten in de bezwarenfase is geen aanleiding nu appellante daarom niet tijdig heeft verzocht. De kosten van rechtsbijstand bepaalt de Raad op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 1.288,--. Voor het optreden van de arts-gemachtigde ter zitting wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder f. in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f. en de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) € 161,-- toegekend, zodat de Raad de door appellante opgevoerde € 450,-- daartoe beperkt. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb bedraagt het tarief voor de kosten van een deskundige die verslag heeft uitgebracht maximaal € 81,23 per uur, zodat de Raad die kosten, gelet op het feit dat de deskundige daaraan 5 uur heeft besteed, vaststelt op € 406,15. In totaal dient het Uwv derhalve € 1.855,15 te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv, met inachtneming van het hiervoor overwogene, een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.855,15;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Lochs.

MK