Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
07-686 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WW-uitkering. Verplichtingen niet behoorlijk nagekomen. Werkbriefjes niet juist ingevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/686 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2006, 06/880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een pleitnota ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden, vergezeld van een nadere memorie.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Bij besluit van 4 november 2005 is appellants WW-uitkering gedeeltelijk herzien over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 6 maart 2005, met uitzondering van de periode van 23 mei 2004 tot en met 29 mei 2004, waarin die uitkering geheel is herzien. Hierbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, ingevolge welke bepaling, voor zover hier van belang, het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen een besluit tot toekenning van uitkering dient te herzien of in te trekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

2.2. Bij besluit van 21 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellant stelt over de motivering van de aangevallen uitspraak, voor zover deze puur technisch is, geen aanmerkingen te hebben. Wel bestrijdt hij de volgens hem eenzijdige benadering door de rechtbank van de van belang zijnde feiten en omstandigheden.

4.2. Gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd en desgevraagd ter zitting naar voren heeft gebracht, is het punt van geschil tussen partijen beperkt tot de vraag of appellant verweten kan worden dat hij niet in overeenstemming heeft gehandeld met de bepalingen die het Uwv aan de bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. De Raad zal zich tot de beoordeling van dit punt van geschil beperken.

4.3. Appellants grieven slagen niet.

4.3.1. Appellant heeft nimmer eigener beweging of via de werkbriefjes het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte gesteld van werkzaamheden die hij ten behoeve van zijn besloten vennootschappen alsmede in zijn eenmanszaak verrichtte. Ook al zou appellant, zoals hij beweert, in continu overleg met het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI) getracht hebben een bron van inkomsten aan te boren, dan nog ontsloeg dit hem niet van de verplichting het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van die werkzaamheden op de hoogte te stellen. De volgens appellant gebrekkige reactie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een bepaalde brief van hem, waaruit hij heeft afgeleid dat persoonlijke communicatie door die instelling niet op prijs werd gesteld, had appellant er juist toe moeten brengen het werkbriefje, zijnde het communicatiemiddel bij uitstek dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem iedere vier weken ter beschikking stelde, aan te grijpen om zijn werkzaamheden te vermelden. Appellants veronderstelling dat het CWI rapporteerde aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan niet tot verontschuldiging dienen. Het had voor appellant evident moeten zijn dat de instantie die belast is met het vaststellen van het recht op WW-uitkering en het uitbetalen van die uitkering, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, direct moet kunnen beschikken over informatie die van belang is om te bepalen of dat recht nog bestaat.

4.3.2. Op het werkbriefje komt de vraag voor of in de desbetreffende periode is gewerkt. Die vraag is voldoende duidelijk. Zou appellant hem desondanks niet duidelijk genoeg hebben gevonden omdat hij twijfelde of zijn activiteiten vermeld moesten worden die naar zijn zeggen nog niet hadden geleid tot inkomsten, dan had hij ook dat kunnen vermelden op het werkbriefje dan wel had hij zich om informatie daarover kunnen wenden tot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

4.3.3. De argumenten die appellant overigens in meer algemene zin heeft aangevoerd ten betoge dat hij wat hij noemt volledige transparantie heeft betracht dan wel dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tekort is geschoten in het uitvoeren van zijn door appellant zo aangeduide kernfuncties leiden niet tot het oordeel van de Raad dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.3. leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW