Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
07-885 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/885 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2007, 06/4008 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer op elkaars standpunt gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het Uwv appellant per 30 november 2005 een uitkering ingevolge hoofdstuk II van de Werkloosheidswet (WW) ontzegd op de grond dat hij niet als werknemer in de zin van die wet wordt aangemerkt, aangezien er geen gezagsverhouding bestond tussen appellant en zijn werkgever. Aan het slot van dit besluit is vermeld dat daartegen tot 22 maart 2006 een bezwaarschrift kan worden ingediend. Bij brief van 31 maart 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 februari 2006, welk bezwaarschrift op 4 april 2006 bij het Uwv is ingekomen. Bij besluit van

23 juni 2006 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Het oordeel van de Raad.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad stelt vast dat appellant eerst na afloop van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven termijn van zes weken een bezwaarschrift tegen het besluit van 7 februari 2006 heeft ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Appellant keert zich tegen de aangevallen uitspraak, in de eerste plaats aanvoerend dat hij het besluit van 7 februari 2006 pas op 18 februari 2006 heeft ontvangen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de stelling van appellant dat hij het besluit van 7 februari 2006 eerst op 18 februari 2006 heeft ontvangen, op zichzelf de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar maakt. De termijn waarbinnen appellant een bezwaarschrift had moeten indienen staat met zoveel woorden in dat besluit vermeld. Appellant had ook na ontvangst van het besluit op 18 februari 2006 ruimschoots de gelegenheid om binnen de gestelde termijn bezwaar te maken, desgewenst op nader aan te voeren gronden en eventueel met een verzoek om uitstel, als hij nog nadere informatie nodig had om het bezwaar te onderbouwen.

3.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de voorgeschiedenis van de niet-tijdige indiening van het bezwaarschrift buiten beschouwing gelaten. Na de faillietverklaring van de werkgever heeft appellant contact opgenomen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat vervolgens een werknemer heeft gestuurd om de papieren in te vullen en de bescheiden te controleren en die appellant heeft gezegd dat hij zich geen zorgen behoefde te maken. Appellant is vervolgens een voorschot uitbetaald. Later kreeg hij een telefoontje van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inhoudend dat er nog geen bericht van de curator was ontvangen inzake de erkenning van het dienstverband. Het Uwv heeft hem vervolgens geen uitkering verleend en daarom heeft hij alsnog bezwaar gemaakt. Ook dit argument van appellant slaagt niet. Reeds omdat niet is gebleken dat de desbetreffende medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, met wie appellant klaarblijkelijk contact had over diens uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, appellant heeft gezegd dat hij tegen een nadien te geven besluit tot ontzegging van een WW-uitkering op grond van hoofdstuk II van die wet geen bezwaar zou hoeven maken indien hij dat besluit zou willen aantasten.

3.4. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW