Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
06-6861 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ1636, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Korting op WW-uitkering. Betrokkene heeft niet voldaan aan de minimale sollicitatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6861 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2006, 06/213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat met ingang van 12 september 2005 een maatregel wordt opgelegd, inhoudende een korting van zijn WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken. Daartoe is overwogen dat appellant op zijn inkomstenverklaring over de periode van 15 augustus 2005 tot en met 11 september 2005 niet heeft voldaan aan de minimale sollicitatieplicht, omdat van de vier door hem opgegeven sollicitaties er één buiten de genoemde periode viel. Bij besluit op bezwaar van 24 januari 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de sollicitatieactiviteiten steeds per betalingsperiode van vier weken worden beoordeeld en dat bij de beoordeling van de sollicitatieactiviteiten in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 11 september 2005 geen rekening kan worden gehouden met het aantal concrete sollicitatieactiviteiten die appellant in de periode van 18 juli 2005 tot en met 14 augustus 2005 heeft verricht. Voorts is overwogen dat appellant ook in verband met zijn leeftijd geen vrijstelling van de sollicitatieplicht is verleend, zodat hij aan de sollicitatieplicht dient te blijven voldoen. In de door appellant naar voren gebrachte bezwaren heeft het Uwv geen feiten of omstandigheden gezien die leiden tot matiging of intrekking van de opgelegde maatregel.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW heeft de rechtbank daartoe overwogen dat de beoordeling of de betrokken werknemer aan zijn sollicitatieverplichting heeft voldaan per vier weken plaatsvindt aan de hand van de sollicitatieactiviteiten die door betrokkene zijn aangegeven op de zogenoemde werkbriefjes. In de in geding zijnde periode heeft appellant vier sollicitaties op het werkbriefje vermeld, waarvan het Uwv er één buiten aanmerking heeft gelaten omdat deze op de voorgaande uitkeringsperiode betrekking had. Naar het oordeel van de rechtbank maken appellants leeftijd en het gegeven dat hij binnen een specifieke branche in een managementfunctie werkzaam is geweest, niet dat zijn persoonlijke omstandigheden en zijn positie op de arbeidsmarkt zodanig uitzonderlijk zijn dat, in geval hij vier sollicitaties in de betrokken uitkeringsperiode had verricht, de kans op werkloosheid niet was verkleind. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant de ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW op hem rustende verplichting niet is nagekomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat appellant het niet nakomen van zijn sollicitatieverplichting in de in geding zijnde periode niet kan worden toegerekend. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 27, derde lid, van de WW terecht een maatregel tot korting van 20% gedurende 16 weken opgelegd.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op hetgeen hij eerder schriftelijk en ter zitting heeft aangevoerd en er onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de grondslag waarop het bestreden besluit berust.

5.1. Ter beoordeling staat de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2. Uit het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW, zoals dat sinds 1 augustus 2003 door het Uwv wordt toegepast, blijkt dat het Uwv bij de toepassing van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste van de WW het beleid hanteert dat van de werkloze werknemer wordt verlangd dat hij in beginsel ten minste vier concrete sollicitatie-activiteiten per vier weken verricht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat vaststaat dat appellant deze verplichting in de in geding zijnde periode van 15 augustus 2005 tot en met 11 september 2005 niet is nagekomen. De Raad stelt zich achter de ter zake door de rechtbank in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen.

5.3. Mitsdien spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of het niet nakomen van genoemde verplichting appellant kan worden verweten. Uit de voorhanden gedingstukken, met name het door appellant overgelegde overzicht van de door hem verrichte sollicitaties vanaf 7 januari 2005, blijkt volgens de Raad genoegzaam dat voor appellant voldoende mogelijkheden aanwezig waren om aan zijn sollicitatieplicht te kunnen voldoen. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden met betrekking tot zijn leeftijd, opleidingsniveau en ervaring acht de Raad niet van zodanig uitzonderlijke aard dat hem op grond daarvan niet zou kunnen verweten dat hij in de in geding zijnde periode niet aan het hiervoor vermelde minimumvereiste van vier sollicitaties en derhalve niet aan de sollicitatieplicht heeft voldaan. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW