Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
06-6908 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering onkostenvergoeding in kader hoofdstuk IV, WW over te nemen. Term ‘aan derden verschuldigd’ biedt ruimte om een rechtstreeks aan werknemer verschuldigde vergoeding onder die bepaling te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6908 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2006, 06/1485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A.J. Fontijn hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant is tot 27 januari 2004 werkzaam geweest als directeur/consultant bij [werkgever]. De werkgever is op 11 februari 2004 failliet verklaard. De curator heeft op 19 februari 2004 de dienstbetrekking met appellant opgezegd. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen. Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het Uwv appellant er (onder meer) van in kennis gesteld dat hij het gevraagde tantième en de onkostenvergoeding niet overneemt. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 20 januari 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv alsnog bepaald dat de onkosten over de periode als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW, te weten de periode van 10 november 2003 tot 11 februari 2004, voor overneming in aanmerking komen. Daarmee is de weigering om de sedert 11 februari 2003 gemaakte onkosten over te nemen, gehandhaafd.

2.2. De rechtbank heeft, oordelend over de vergoeding van tantième en onkosten, het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.3. Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank alleen aangevallen terzake van de onkostenvergoeding. Appellant meent dat het Uwv gehouden is die kosten over de in artikel 64, aanhef en onder c, van de WW genoemde periode van één jaar over te nemen. Hij stelt dat die kosten zijn gemaakt in de uitoefening van zijn functie, te weten werving van personeel voor derden, en dat de werkgever die bedragen aan derden verschuldigd is geworden.

3.1. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over de bij het bestreden besluit plaatsgevonden afwijzing van de overneming van de gevorderde onkostenvergoeding. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

3.2. De door appellant geclaimde kosten zien op parkeergeld, lunches, koffie, printpapier e.d. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de werkgever de onkostenvergoeding aan appellant verschuldigd is geworden. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 4 november 1997, LJN ZB7406) bieden tekst noch wetsgeschiedenis van artikel 64, aanhef en onder c, van de WW een aanknopingspunt voor de opvatting dat de term ‘aan derden verschuldigd’ in dat artikelonderdeel ruimte biedt om ook een rechtstreeks aan de werknemer verschuldigde vergoeding onder het toepassingsbereik van die bepaling te kunnen brengen.

3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW