Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
06-5550 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het beroep berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5550 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2006, 06/2903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.M. Bruls-van Strien, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 14 november 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden waarop het beroep berust. Hiertoe heeft de rechtbank - waarbij voor eiser appellant gelezen dient te worden - als volgt overwogen:

“De gronden van het beroep dienden derhalve uiterlijk op 21 juni 2006 ter griffie van de rechtbank te zijn ingediend.

De gestelde termijn is verstreken zonder dat eiser aan het verzoek heeft voldaan. Ook is binnen die termijn door de rechtbank geen uitstelverzoek ontvangen.

Eerst bij fax van 27 juni 2006, dus ruim buiten de gestelde termijn, heeft eiser de gronden ingediend.

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Aangetoond noch aannemelijk is gemaakt dat namens de rechtbank toestemming is verleend om de beroepsgronden later dan op 21 juni 2006 in te dienen. Van een concrete en rechtens te honoreren toezegging op 27 juni 2006 door een rechtbank-medewerker, dat de beroepsgronden uiterlijk op die dag zouden kunnen worden ingediend en dat zulks dan binnen de gestelde termijn zou zijn, is dezerzijds niets bekend, nog daargelaten dat op die datum de schriftelijk geboden termijn reeds verstreken was en de gemachtigde van eiser ermee bekend had kunnen zijn dat omtrent de ontvankelijkheid van een beroepschrift een rechter oordeelt.”

2. De thans in geding zijnde vraag of appellant in zijn beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad onderschrijft de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank geheel. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW