Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
06-191 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid vastgestelde beperkingen. Diagnose fibromyalgie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/191 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2005, 04/3570 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007. Appellante is, zoals zij tevoren heeft bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 22 juni 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste beperkingen is uitgegaan. De verzekeringsartsen hebben voldoende gegevens ter beschikking gehad om tot een afgewogen oordeel over de beperkingen van appellante te kunnen komen. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht die aanleiding zouden kunnen geven om verdergaande beperkingen aan te nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voorts voldaan aan de nadere motiveringseisen in het kader van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem en de geduide functies op goede gronden gebruikt voor de schatting.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij veel klachten heeft.

Het Jan van Breemeninstituut te Amsterdam heeft de diagnose fibromyalgie gesteld. Zij heeft meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van de fysiotherapeut van 16 september 2004 overgelegd.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

De informatie van de fysiotherapeut en de diagnose fibromyalgie leiden niet tot een ander oordeel. In dit verband verwijst de Raad naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 juli 2006, waarin deze aangeeft dat rekening is gehouden met de informatie van het Jan van Breemeninstituut en dat hij niet ziet dat de fysiotherapeut andere inzichten zou hebben dan de arts van het Jan van Breemeninstituut. Verdergaande beperkingen dan welke reeds zijn aangenomen zijn niet objectiveerbaar.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met de aangenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.

Het hoger beroep slaagt dus niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL