Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
06/2470 WAO + 06/2471 WAZ en 06/5206 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAO-uitkering wegens inkomen uit arbeid. Anti-cumulatie. Verzoek om terug te komen van: geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2470 WAO, 06/2471 WAZ en 06/5206 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen twee uitspraken van de rechtbank Haarlem van 15 maart 2006, 04/2076 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 05/3970 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Namens appellant is R.T. van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Frederiks.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant, die werkzaam is als zelfstandig monteur van landbouw- en industriële machines, is met ingang van 9 mei 1999 een uitkering op basis van de vrijwillige verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) alsmede een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, beide berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met appellants inkomsten uit arbeid heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44 van de WAO en artikel 58 van de WAZ bij besluiten van 3 februari 2004 en van 4 februari 2004 bepaald dat de uitkeringen vanaf 9 mei 1999 worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en vanaf 1 januari 2000 naar de klasse 65 tot 80%. Bij besluiten van 5 februari 2004 heeft het Uwv de WAO- en WAZ-uitkering met ingang van 24 februari 2003 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het Uwv de aan appellant onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge de WAO en de WAZ over de periode van 9 mei 1999 tot en met 23 februari 2003 ten bedrage van € 29.326,77 van hem teruggevorderd. Op dit bedrag is € 5.668,84, de aan appellant verschuldigde uitkering over de periode van 24 februari 2003 tot 1 maart 2004, in mindering gebracht. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit terugvorderingsbesluit. Bij besluit van 28 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv het besluit van 20 april 2004 gehandhaafd.

In het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2004 heeft appellant het Uwv tevens verzocht terug te komen van de hiervoor genoemde besluiten van 3, 4 en 5 februari 2004. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat het Uwv door het nemen van deze besluiten in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, dat gelet op de maximumtermijn van drie jaar waarover de anticumulatie-artikelen in de WAO en de WAZ kunnen worden toegepast de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 mei 2002 definitief had moeten worden vastgesteld op 65 tot 80% en dat de herziening van de uitkeringen berust op andere functies dan aan hem in december 2002 zijn voorgehouden, zodat deze herziening eerst twee maanden na de aanzegging bij brief van 2 februari 2004 kan worden geëffectueerd. Bij besluit van 17 november 2004 heeft het Uwv op dit verzoek van appellant afwijzend beslist op de grond dat er geen feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de besluiten uit februari 2004 onjuist zijn. Bij besluit van 5 april 2005 (hierna: bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het de terugvordering over de periode van 1 januari 2003 tot en met 23 februari 2003 betreft.

In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat blijkens het besluit van het Uwv van 16 november 2005, inzake de anticumulatie over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003, aan het besluit tot terugvordering over de periode van 1 januari 2003 tot 24 februari 2003 niet eerder een besluit vooraf is gegaan inzake de toepassing van de kortingsartikelen in de WAO en WAZ, waardoor de grondslag aan de terugvordering van uitkering over die periode ontbreekt. De rechtbank heeft tevens beslissingen genomen ter zake van vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak I heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2006 (hierna: bestreden besluit III) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2004 in zoverre gegrond verklaard dat de onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge de WAO en WAZ over de periode van 9 mei 1999 tot en met 31 december 2002 ten bedrage van € 28.342,71 van appellant worden teruggevorderd.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2006, LJN AY0194, aangevoerd dat bij een beoordeling van een verzoek om terug te komen op rechtens onaantastbare besluiten aan het onherroepelijke karakter van die besluiten voorbij dient te worden gegaan indien overduidelijk de wet, rechtsregels of rechtsbeginselen zijn geschonden en het bestuursorgaan in redelijkheid die besluiten niet had mogen nemen. Appellant heeft herhaald dat het Uwv in strijd met de dwingendrechtelijke bepalingen de inkomenskorting vanaf 9 mei 1999 heeft toegepast over een langere termijn dan de toegestane drie jaren. Derhalve had per 9 mei 2002 de definitieve mate van arbeidsongeschiktheid moeten worden vastgesteld, zijnde de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%, en was de herziening van de uitkeringen per 24 februari 2003 naar de klasse van 25 tot 35% niet aan de orde. Bovendien berust de herziening van de uitkeringen per 24 februari 2003 op andere functies dan aan appellant destijds zijn voorgehouden, zodat bij die herziening niet de vereiste uitlooptermijn van twee maanden in acht is genomen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de besluiten van 4 februari 2004 uitsluitend betrekking hebben op het jaar 2000 en dat over de jaren 2001 en 2002 geen kortingsbesluiten zijn genomen. Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv gelet op de ongekorte toekenning en uitbetaling van de WAO- en WAZ-uitkering per 9 mei 1999 in strijd handelt met het rechtszekerheidsbeginsel door tot terugvordering over te gaan. Volgens appellant heeft het Uwv bij het nemen van het terugvorderingsbesluit ten onrechte genegeerd dat de besluiten van 3 en 4 februari 2004, ook al zijn die onherroepelijk geworden, in strijd met de wet, rechtsregels en rechtbeginselen zijn genomen. Tevens heeft appellant opgemerkt dat bij het bestreden besluit III ten onrechte geen rekening is gehouden met het te verrekenen bedrag van € 5.668,84, genoemd in het besluit van 20 april 2004.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het bestreden besluit II heeft het Uwv, onder handhaving van zijn besluit van 17 november 2004, geweigerd terug te komen van zijn besluiten van 3, 4 en 5 februari 2004. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omgang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing door de bestuursrechter als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit als uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

De Raad is van oordeel dat appellant ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen van de besluiten van 3, 4 en 5 februari 2004 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Hiervan uitgaande, kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit II heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. In de uitspraak van de Raad van 30 juni 2006, LJN AY0194, waarop appellant beroep heeft gedaan, was de vraag aan de orde of het bestuursorgaan met de weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het beroep op deze uitspraak kan reeds niet slagen omdat de situatie van appellant een geheel andere is dan in bedoelde uitspraak aan de orde was.

Hieruit volgt dat het hoger beroep inzake de aangevallen uitspraak II niet slaagt, zodat die uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad stelt vast dat met het bestreden besluit III niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Op voet van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb wordt het beroep van appellant geacht zich mede te richten tegen het bestreden besluit III. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak I, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De Raad zal vervolgens het bestreden besluit III beoordelen.

Naar de Raad eerder heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraken van 17 oktober 1995 (RSV 1996/44) en 23 juli 1997 (RSV 1997/17), is de Raad van oordeel dat een uitvoeringsorgaan bij het korten van de uitkering op grond van inkomsten uit arbeid van een zelfstandige niet kan volstaan met het eenmalig uitreiken van een kortingsbesluit, dat dan - zij het met wijziging van bedragen - geacht moet worden zijn gelding te behouden voor volgende jaren. De Raad is van oordeel dat per jaar een nieuw kortingsbesluit vereist is. Dergelijke kortingsbesluiten met betrekking tot meer jaren - elk steunend op een kortingsberekening per jaar - kunnen tezamen aan een uitkeringsgerechtigde worden meegedeeld. Ten aanzien van de inkomsten van zelfstandigen geldt immers dat deze eerst achteraf, na afloop van een boekjaar kunnen worden vastgesteld en per jaar (sterk) kunnen fluctueren, zodat per jaar dient te worden vastgesteld of er aanleiding bestaat de uitkering op grond van deze inkomsten te korten. In verband met de wisselende omvang van deze inkomsten kan mitsdien niet worden aanvaard dat een met betrekking tot enig jaar afgegeven kortingsbesluit ook zou kunnen dienen als grondslag voor de korting in het daarop volgende jaar of de daarop volgende jaren.

De Raad stelt vast dat de besluiten van 4 februari 2004 uitsluitend dienen als grondslag voor de korting van de WAO- en WAZ-uitkering over het jaar 2000 en dat het Uwv aan appellant geen kortingsbesluiten heeft uitgereikt over de jaren 2001 en 2002. Bij gebreke van kortingsbesluiten over die jaren is niet formeel komen vast te staan dat onverschuldigd is betaald over de in het bestreden besluit III vermelde periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002, zodat een grondslag voor de terugvordering die ziet op de over die periode betaalde uitkering ontbreekt. De Raad kan de overige grieven die appellant tegen het bestreden besluit II heeft aangevoerd niet onderschrijven. De besluiten van 3 en 4 februari 2004 zijn rechtens onaantastbaar geworden en de beslissing van het Uwv om daarvan niet terug te komen kan, zoals hiervoor overwogen, de rechterlijke toetsing doorstaan. Mitsdien staat in rechte vast dat aan appellant over de periode van 9 mei 1999 tot en met 31 december 2000 onverschuldigd WAO- en WAZ-uitkering is betaald. Appellant heeft niet gesteld, en de Raad is niet gebleken, dat in zijn geval sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO en artikel 63, vierde lid, van de WAZ op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk kan afzien van terugvordering. Ten slotte merkt de Raad op dat, zoals besproken ter zitting, op het bedrag van de terugvordering € 5.668,84, het bedrag aan uitkering ingevolge de WAO en WAZ waarop appellant recht heeft over de periode van 24 februari 2003 tot 1 maart 2004, in mindering dient te worden gebracht.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep in zoverre slaagt, zodat het bestreden besluit III voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep inzake de aangevallen uitspraak I niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat gericht geacht wordt tegen het besluit van 26 juli 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt;

Bevestigt de aangevallen uitspraak II.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL