Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
05-3042 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3042 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 april 2005, 04/1963 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.R. Bruls, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D.E.C. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft op 29 september 1997 zijn werkzaamheden als verzekeringsconsulent wegens rugklachten gestaakt. Met ingang van 28 september 1998 heeft hij uitkeringen ingevolge de WAO ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Op 18 september 2003 is appellant onderzocht door verzekeringsarts E.J.J. Janssens. Deze dacht aan aspecifieke klachten en vroeg een expertise aan bij orthopedisch chirurg dr. A.J. Tonino. Deze heeft in zijn rapport van 26 januari 2004 geconcludeerd dat bij appellant sprake is chronische aspecifieke rugklachten bij een aanwezige lysis L5 van de boog beiderzijds met een stabiele spondylolysthese van het corpus L5. Zowel klinisch als röntgenologisch is echter geen sprake van instabiliteit en moet appellant geschikt worden geacht voor lichtere arbeid met name voor de arbeid die hij al verrichtte als verzekeringsadviseur.

Vervolgens heeft verzekeringsarts R. Kuipers in haar rapport van 12 maart 2004, aangevuld bij rapport van 26 maart 2004, gesteld dat sprake is van een discrepantie tussen de door appellant ervaren klachten en de bij hem gevonden objectieve afwijkingen. Met deze afwijkingen is appellant slechts beperkt ten aanzien van zware dynamische en langdurige statische rugbelasting en is geen sprake van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Kuipers heeft de belastbaarheid van appellant vastgelegd in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (K)(FML) van 26 maart 2004.

Daarna heeft de arbeidsdeskundige M. Kusters de arbeidsmogelijkheden van appellant onderzocht. Na raadpleging van het CBBS heeft deze arbeidsdeskundige een aantal voor appellant passend geachte functies geselecteerd. In zijn rapport van 2 april 2004 is hij tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 60,25% bedraagt.

In overeenstemming met deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2004 de WAO-uitkering van appellant per 3 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

In zijn rapport van 23 juni 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een chronisch pijnsyndroom met minimale/marginale objectieve afwijkingen, zelfs mogelijk deels passend bij leeftijd en fysiologische veroudering. Appellant is beperkt voor excessieve zware fysieke arbeid. Omdat geen sprake is van energetische beperkingen is een urenindicatie niet aangewezen. Jansen heeft de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid getoetst en ongewijzigd van toepassing geacht. Tot slot heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk.

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Dijks-Leentjens in haar rapport van 19 juli 2004 geconcludeerd dat de functies van acquisiteur (advertenties, reclame), verkoper (SBC code 516180), telefonist, receptionist (SBC code 315120) en verkoper groothandel (SBC code 317012) voor appellant passend zijn. Als reservefuncties zijn genoemd: administratief medewerker afhandelingen (SBC code 515080) en inpakker (handmatig) (Sbc code 111190). Dijks-Leentjens heeft de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de drie eerstgenoemde functies bepaald op 56,6% en geconcludeerd dat de primaire arbeidskundige beoordeling de heroverweging in bezwaar kan doorstaan. Ten slotte heeft zij aangegeven dat alsnog een primair arbeidskundig onderzoek dient te worden gedaan naar de geschiktheid van appellant voor het eigen werk.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige Kusters in zijn rapport van 29 september 2004 geconcludeerd dat appellant geschikt is te achten voor zijn eigen werk van verzekeringsconsulent, zoals omschreven in het arbeidskundige rapport van

24 augustus 1998.

Bij brief van 1 oktober 2004 heeft een medewerkster van het Uwv aan (de gemachtigde van) appellant meegedeeld dat appellant geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid, dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is en dat de WAO-uitkering met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden zal worden beëindigd.

In haar rapport van 25 oktober 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Dijks-Leentjens geconcludeerd dat de primaire arbeidsdeskundige appellant terecht geschikt heeft geacht tot het verrichten van zijn eigen werk.

In het besluit van 27 oktober 2004 is aan appellant meegedeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond is verklaard, dat van 3 juni 2004 tot 2 december 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid 55-65% is, dat per 2 december 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15% en dat de WAO-uitkering per 2 december 2004 wordt ingetrokken.

Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in diens standpunt dat hij medisch gezien meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv, gelet op de geduide functies, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 3 juni 2004 terecht heeft vastgesteld op 55-65%. Omdat de rechtbank evenmin is gebleken dat appellant niet in staat is zijn eigen functie te vervullen, heeft zij geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

2 december 2004 op minder dan 15% dient te worden vastgesteld.

In hoger beroep heeft appellant zich wederom op het standpunt gesteld dat de artsen van het Uwv zijn medische beperkingen hebben onderschat en dat hij niet in staat is de geduide functies noch zijn eigen functie te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van behandelend Oberarzt dr.med. M. Weisskopf, verbonden aan de Orthopädische Klinik van het Universitätsklinikum te Aken (D), van

30 augustus 2005 overgelegd. Verzocht wordt om een expertise uit te laten brengen.

De Raad overweegt het volgende.

Het primaire besluit van 5 april 2004 ziet op de herziening van de WAO-uitkering van appellant per 3 juni 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Geschiktheid van appellant voor passende functies heeft aan dat besluit ten grondslag gelegen.

Heroverweging van dat besluit heeft het Uwv - zoals toegelicht ter zitting - uiteindelijk tot de slotsom gebracht dat appellant geschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid, zodat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake (meer) is.

Naar het oordeel van de Raad is deze conclusie echter niet in het besluit van

27 oktober 2004 neergelegd.

Gelet op het primaire besluit en de voorbereiding van de beslissing op bezwaar van

27 oktober 2004 en de tekst waarin de beslissing op bezwaar is gesteld kan de Raad niet tot een andere conclusie komen dan dat de daarin vervatte (deel)beslissing om de WAO-uitkering van appellant per 3 juni 2004 te herzien is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat appellant per die datum met passende arbeid in staat wordt geacht een zodanig inkomen te verdienen dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum dient te worden gesteld op 55-65%.

De (deel)beslissing om de WAO-uitkering van appellant per 2 december 2004 in te trekken is gestoeld op het standpunt van het Uwv dat appellant per die datum geschikt is voor zijn maatgevende arbeid van verzekeringsconsulent, zodat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake (meer) is.

De Raad stelt voorop dat hij geen aanleiding ziet om op basis van de voorhanden medische gegevens te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv met betrekking tot de belastbaarheid van appellant per 3 juni 2004 en 2 december 2004. Ook naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv de rugklachten van appellant naar behoren erkend door het vastleggen in de (K)FML van beperkingen ten aanzien van zware dynamische en langdurig statische rugbelasting.

De in hoger beroep overgelegde brief van Weisskopf van 30 augustus 2005 heeft de Raad evenmin tot een andere conclusie geleid. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts Jansen in zijn rapport van 9 mei 2007 afdoende gemotiveerd waarom de bevindingen van Weisskopf en de inmiddels door appellant in Duitsland ondergane operatie niet leiden tot de conclusie dat per de data in geding sprake is van een ernstiger situatie of een situatie met meer beperkingen dan eerder door de artsen van het Uwv geconstateerd.

De Raad acht zich dan ook voldoende voorgelicht en heeft geen aanleiding gezien het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen in te willigen.

De herziening per 3 juni 2004

Met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering per 3 juni 2004 overweegt de Raad het volgende.

Aan dit besluit ligt mede ten grondslag de opvatting van het Uwv dat appellant geschikt is voor de functies behorend tot SBC code 516180 (acquisiteur (advertenties, reclame), verkoper).

Uit de door de verzekeringsarts opgestelde (K)FML blijkt dat appellant op het aspect trappenlopen licht beperkt wordt geacht. Aangegeven is dat hij tenminste in een keer een trap op en af kan (1 verdieping woonhuis). Daarbij is nog als toelichting gegeven: incidenteel tot 2 trappen.

In de tot SBC code 516180 behorende deelfunctie media-adviseur (functienummer 2711-0049-001) is als belasting onder aspect 6 (Trappenlopen) vermeld: dagelijks tijdens meer dan 4 werkuren: tijdens 8 werkuren 4 maal ongeveer 25 treden achtereen.

In de tot dezelfde SBC code behorende deelfuncties account manager (functienummer 8451-0519-001) en administratief medewerker (functienummer 3699-0075-008) komt eveneens een belasting op het aspect trappenlopen voor: niet dagelijks tijdens niet meer dan 4 werkuren: tijdens 2 werkuren 2 maal ongeveer 25 treden achtereen (incidenteel bij een klant) respectievelijk: dagelijks tijdens meer dan 3 werkuren: tijdens 5 werkuren 2 maal ongeveer 25 treden achtereen.

Het Uwv heeft in de gedingstukken noch ter zitting gemotiveerd hoe deze belastingen zich verhouden tot de ten aanzien van het aspect trappenlopen licht beperkt geachte belastbaarheid van appellant.

Nu een inzichtelijke en toetsbare toelichting ontbreekt op dit punt is het besluit van

27 oktober 2004 in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voor zover het de herziening per 3 juni 2004 betreft, slaagt het hoger beroep. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen in zoverre te worden vernietigd en het beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard.

De intrekking per 2 december 2004

Uitgaande van de juistheid van de (K)FML is het de Raad niet kunnen blijken dat appellant, met inachtneming van de voor hem vastgestelde medische beperkingen, per

2 december 2004 niet in staat is zijn maatgevende functie van verzekeringsconsulent te vervullen. Derhalve is er per 2 december 2004 geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Voor zover het de intrekking van de WAO-uitkering per 2 december 2004 betreft, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van

27 oktober 2004 met betrekking tot de herziening per 3 juni 2004 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2004 met betrekking tot de herziening per 3 juni 2004 gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen de intrekking per

2 december 2004 ongegrond is verklaard;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

MR