Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
05-5160 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte van het vastgestelde ouderdomspensioen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5160 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 juli 2005, 05/353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een reactie op het beroepschrift ingediend.

Appellant heeft op 21 oktober 2007 nog een brief aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Appellant is daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

Bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2005 (hierna: besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2004 ongegrond verklaard, waarbij aan appellant met ingang van oktober 2004 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) was toegekend, ter hoogte van 34% van het volledige pensioen.

Vervolgens heeft de Svb op 1 juni 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar (hierna: besluit 2) genomen, waarbij het bezwaar van appellant gegrond is verklaard en het aan appellant toegekende ouderdomspensioen vanaf oktober 2004 nader is vastgesteld op 38% van het volledige pensioen.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van dat besluit. Het feit dat appellant een verzoek om schadevergoeding had ingediend op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen, omdat dit verzoek volgens de rechtbank niet kan worden aangemerkt als een reële vordering tot vergoeding van immateriële schade. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet langer betwist dat hij op grond van de verzekerde tijdvakken in de periode tot 1 januari 1994 recht heeft op 38% van het volledige ouderdomspensioen. Ten aanzien van het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 10 oktober 2004 heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant op zijn verzoek vrijstelling is verleend van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen vanaf 1 januari 1994, dat de beslissing dienaangaande formele rechtskracht heeft verkregen en dat de Svb niet bevoegd is daar thans bij de toekenning van het pensioen van af te wijken.

In hoger beroep heeft appellant zijn vordering om vergoeding van immateriële schade herhaald en daarbij aangegeven dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van slapeloze nachten en hevige hoofdpijn. Verder heeft appellant aangevoerd dat ook om vergoeding van materiële schade was verzocht, zoals reiskosten, portokosten, papier en telefoonkosten. Ten slotte heeft appellant het oordeel van de rechtbank omtrent het tijdvak vanaf 1 januari 1994 betwist.

De Raad oordeelt als volgt.

Besluit 1

De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu appellant een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb had ingediend tijdens de procedure in eerste aanleg. Reeds uit zo’n vordering vloeit volgens vaste rechtspraak voort dat de betrokkene een belang heeft bij het beroep nu ingevolge artikel 8:73 van de Awb alleen bij een gegrond beroep een vordering tot schadevergoeding, als daar gronden voor zijn, kan worden toegewezen. De vraag of de vordering ook daadwerkelijk zal worden toegewezen is in dat verband niet van belang.

Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade stelt de Raad voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 16 april 1996, JB 1996/117 heeft overwogen, onderkent de Raad dat geestelijk letsel van een benadeelde onder omstandigheden kan worden aangemerkt als aantasting van zijn persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.

Voor de toewijzing van schadevergoeding is niet voldoende dat het door appellant met succes aangevochten besluit 1 spanningen heeft veroorzaakt. In de door appellant aangedragen gegevens heeft de Raad geen steun gevonden voor het oordeel dat appellant van besluit 1 meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden. Dit betekent dat zijn verzoek afgewezen dient te worden.

Besluit 2

Ten aanzien van dit besluit is tussen partijen slechts in geschil of de Svb appellant gedurende het tijdvak van 1 januari 1994 tot en met 10 oktober 2004 terecht niet verzekerd heeft geacht ingevolge de AOW. De Raad stelt vast dat appellant in het verleden heeft verzocht om vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen, welk verzoek door de Svb met ingang van 1 januari 1994 is gehonoreerd. Dit betekent dat appellant gedurende voornoemd tijdvak niet verzekerd is geweest krachtens, onder meer, de AOW, zodat de Svb daarmee bij de vaststelling van de hoogte van het ouderdomspensioen van appellant terecht geen rekening heeft gehouden. Het feit dat appellant meent dat hij in het verleden uit financiële overwegingen niet anders kon dan vrijstelling vragen kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant in het verleden het voordeel heeft gehad dat hij geen premies volksverzekeringen hoefde te betalen over zijn inkomen en thans het nadeel ondervindt dat een korting op zijn ouderdomspensioen wordt toegepast over de niet verzekerde jaren.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en de vordering tot schadevergoeding afwijzen. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Ten aanzien van de door appellant gevorderde proceskosten merkt de Raad allereerst op dat de rechtbank heeft verzuimd daaromtrent een beslissing te nemen in de aangevallen uitspraak. De Raad zal dit verzuim herstellen en acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 18,04 in eerste aanleg en € 31,82 in hoger beroep voor reiskosten, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant. De overige door appellant genoemde kosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dit besluit;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 49,86 te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht ad

€ 140,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A. Kovács.

IJ031207