Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
06/6347 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van als geldlening verstrekte bijstand, wegens niet voldoen aan gestelde verplichtingen. Verjaringstermijn. Artikel 3:307 BW. Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 230 met annotatie van C.M. Bitter
JWWB 2008, 56
ABkort 2008/52
USZ 2008/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6347 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2006, 06/322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 2 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 23 april 1997 heeft appellant aan betrokkene op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) bijzondere bijstand verleend in de vorm van geldleningen ten behoeve van de betaling van een ziekenfondspremie tot een bedrag van

ƒ 468,45 (€ 212,57) en ten behoeve van woonlasten tot een bedrag van ƒ 1.145,00

(€ 519,58). In deze besluiten is bepaald dat de in de vorm van geldleningen verleende bijstand wordt teruggevorderd zodra betrokkene een oudere schuld aan appellant heeft afgelost. Voor beide leningen heeft betrokkene een schuldbekentenis ondertekend.

Bij besluit van 20 september 2000 is aan betrokkene op grond van de Abw bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verleend ten behoeve van woonlasten en kosten van levensonderhoud tot een totaalbedrag van ƒ 3.175,-- ( € 1.440,75). In dit besluit is bepaald dat de bijstand door middel van acceptgiro’s in maandelijkse termijnen moet worden terugbetaald.

Tegen geen van voornoemde besluiten is een rechtsmiddel aangewend waardoor zij in rechte onaantastbaar zijn geworden.

Bij een brief van 16 oktober 2003, verzonden naar het in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde adres van betrokkene, heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij zijn totaal openstaande schuld bij appellant tot een bedrag van

€ 4.620,38 binnen zes weken dient te voldoen. Deze brief is aan appellant geretourneerd omdat betrokkene niet op genoemd adres woonde. Vervolgens heeft appellant een onderzoek ingesteld naar het feitelijke woonadres van betrokkene.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 11 februari 2005 en een besluit van 21 april 2005 heeft appellant de als geldleningen verleende bijstand ten bedrage van € 212,57 en

€ 519,58 respectievelijk € 1.440,75 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) van betrokkene teruggevorderd op de grond dat betrokkene zich niet houdt aan de aan deze leningen verbonden verplichtingen.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft appellant onder meer het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 11 februari 2005 en 21 april 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het besluit van 5 januari 2006, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de besluiten van

11 februari 2005 en 21 april 2005, gegrond verklaard en beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat terugvordering van de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand wegens verjaring onmogelijk is en dat terugvordering van de bij het besluit van 20 september 2000 als geldlening verstrekte bijstand niet kan plaatsvinden omdat niet is gebleken dat de betrokkene de uit die lening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 januari 2006 gegrond is verklaard en voor zover het de beslissingen inzake griffierecht en proceskosten betreft.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.

De terugvordering van de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand

Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, staat de Raad allereerst voor de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat op 11 februari 2005 verjaring in de weg staat aan de terugvordering van de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

In de WWB is geen regeling opgenomen over de verjaring van het recht op terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA2491) dient voor de regeling van verjaring aansluiting te worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW).

Ingevolge artikel 3:307, eerste lid, van het BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het tweede lid van artikel 3:307 van het BW bepaalt dat in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in het eerste lid bedoelde termijn pas loopt van de aanvang van de dag, volgend op die waartegen de schuldenaar heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Tevens bepaalt dit tweede lid dat de in het eerste lid bedoelde rechtsvordering in elk geval verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.

De Raad stelt vast dat bij de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand geen datum is bepaald waarop betrokkene tot terugbetaling was gehouden. De mededeling in deze besluiten dat betrokkene wordt gehouden tot terugbetaling nadat oudere schulden zijn voldaan, kan niet als een concrete tijdsbepaling worden aangemerkt. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3:307, tweede lid, van het BW de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugbetaling van de hier aan de orde zijnde geldleningen aanvangt op de dag die volgt op die waarop appellant betrokkene heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant betrokkene eerst bij de eerder genoemde brief van 16 oktober 2003 meegedeeld over te gaan tot opeising van de openstaande schulden die verband houden met de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand. De omstandigheid dat de brief van 16 oktober 2003 betrokkene niet heeft bereikt staat daar niet aan in de weg. Vaststaat immers dat de brief is verzonden naar het adres waarop betrokkene blijkens de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven en het adres waar betrokkene feitelijk woonachtig was of verblijf hield bij appellant niet bekend was. Dit betekent dat de van toepassing zijnde verjaringstermijn is aangevangen op 17 oktober 2003 en voorts dat, uitgaande van deze datum, de verjaringstermijn van vijf jaren nog niet was verstreken ten tijde van de terugvorderingsbesluiten van 11 februari 2005.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering van de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 januari 2006, voor zover daarbij is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 11 februari 2005 ongegrond verklaren. Hij overweegt daartoe als volgt.

De Raad stelt vast dat aan betrokkene bij brief van 16 oktober 2003 de verplichting is opgelegd om binnen zes weken de openstaande schulden te voldoen die verband houden met de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand. De Raad stelt voorts vast dat appellant niet aan die verplichting heeft voldaan. Dat brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB zodat appellant bevoegd was de kosten van de bij de besluiten van 23 april 1997 als geldlening verstrekte bijstand terug te vorderen.

De Raad overweegt voorts dat appellant heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van de terugvordering van geldleningen gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid had moeten afwijken. Betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat van terugvordering moet worden afgezien omdat appellant zeer lang heeft gewacht met het opeisen van de openstaande schulden. De Raad volgt betrokkene niet in deze grief. Op grond van de beschikbare gegevens is voor de Raad niet komen vast te staan dat vanwege appellant bij betrokkene zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens appellant kan worden gebaseerd.

De terugvordering van de bij het besluit van 20 september 2000 als geldlening verstrekte bijstand

De Raad stelt vast dat aan de betrokkene bij het besluit van 20 september 2000 de verplichting is opgelegd om de als geldlening verstrekte bijstand in maandelijkse termijnen terug te betalen en dat aan betrokkene bij de brief van 16 oktober 2003 is meegedeeld dat de in verband met die lening openstaande schuld binnen zes weken moet worden voldaan. De Raad stelt voorts vast dat appellant niet aan de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Appellant was dan ook bevoegd de kosten van de bij het besluit van 20 september 2000 als geldlening verstrekte bijstand van betrokkene terug te vorderen. Onder verwijzing naar hetgeen in de vorige alinea is overwogen is de Raad voorts van oordeel dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, (ook) voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering van de bij het besluit van 20 september 2000 als geldlening verstrekte bijstand, niet in stand kan blijven en dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 januari 2006, (ook) voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2005, ongegrond moet worden verklaard.

Proceskosten

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak ook voor zover daarbij is beslist over proceskosten en griffierecht niet in stand kan blijven. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 januari 2006, voor zover daarbij is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 11 februari 2005 en 21 april 2005, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en

J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.L. Rijnen.